Piece # 4 – Het is officieel!

Midden in Buenos Aires ligt een wijk, Caballito. In Caballito staat een huis met twee verdiepingen, franse balkons en marmeren trappen. In dat huis bevindt zich een redelijk groot leeg appartement, met openslaande deuren en de modernste keuken die ik in Zuid-Amerika heb gezien (de badkamer idem dito). De sleutel van dat appartement krijgen ik en Ariel volgende week in handen! Wij tweeën dus! Zoals plannen weleens wijzigen, levenspaden elkaar weleens kruisen, een mannetje en een vrouwtje weleens een match vormen, en matches zelden zo goed zijn als de onze, zo ook besloten wij dat het een estupidez zou zijn om niet samen naar een woning te zoeken in plaats van allebei apart ons scheel te betalen aan woonlasten en reiskosten.

Het zoeken en vinden van een leuke woning is geen enkel probleem want als je er eenmaal op let, blijkt zo ongeveer de hele stad in de verkoop of verhuur te zijn. Helaas zijn er heel wat factoren die tussen de aankomend huurder en zijn nieuwe woning in staan. Als eerste bel je naar de inmobiliaria die de woning verhuurt, en met wat geluk bellen ze je terug en kun je komen kijken. Dan moet je direct zeggen of je de woning wilt, en ze wat geld geven om aan te tonen dat je het serieus meent. Vervolgens moet je met officiële documenten gaan aantonen dat je een direct familielid hebt met een koophuis in de stad, en dat jijzelf een vast inkomen hebt. Als dat eenmaal in gang is gezet ga je in de buidel tasten: twee maanden huur als commissie, twee maanden huur als borg en een maand huur vooruit. Het mag duidelijk zijn, voor de gemiddelde buitenlander die hier op de bonnefooi naartoe komt (zoals bijvoorbeeld, ahum, ik) valt de droom vrij gemakkelijk in het water. Als alternatief ben je bij de inmobiliaria’s meer dan welkom om een studiootje te huren voor drie keer de normale prijs, of bivakkeer je in een hostel. Dat is wat mijn al dan niet gefortuneerde medestudenten doen. Des te meer besef ik wat voor een dosis geluk ik heb gehad met Ariel, en de hele samenloop van omstandigheden, waarvoor mijn dank aan Onze Heer/Moeder Aarde/het (ahum) Vertrouwen in mijzelf/het Lot/Jezus/alle boeddhisten en Boeddha’s/Jahweh/Krishna/Allah/het Zwarte Gat waaruit het universum is ontstaan/het Machtige Samenspel van kwantumdeeltjes/… (denkbeeldig doorhalen wat niet van toepassing is).

Piece # 3 – Observaties enzo

Honden zijn echt hot. Met name in Buenos Aires’ hotste wijk Palermo. Daar zie je professional ‘dog walkers’. Men gaat met hond naar het park om honden (en baasjes) te kijken, en de eigen hond bekeken te laten worden. Elke vijfde winkel die je tegenkomt is een hondenspeciaalzaak. Er zijn honden met staartjes in het haar, dekjes, kleedjes en voetbalshirts. Ook voor de niet hondenbezitters is het park een attractie want ook hier geldt het principe ‘tal perro tal jefe’ (‘zo hond zo baasje’) en beide komen in alle soorten en maten.

Auto’s gaan oneindig lang mee. De straat en de autowegen zijn voor mij een constante bron van verbazing en hilariteit. Wat je voorbij ziet komen aan auto’s die in mijn ogen de houdbaarheidsdatum met tientallen jaren hebben overschreden in ongelofelijk. Veel Fiatjes, Fordjes en andere oude Amerikanen die ik alleen ken van… het Latijns-Amerikaanse straatbeeld, allen met een nauwelijks definieerbaar kleurenpalet. Ze zijn soms zover doorgezakt dat ze met hun neus praktisch op het asfalt liggen. Ook vaak mist er een deel van de behuizing en heeft men dat probleem opgelost met een flink stuk plastic of tape. Standaard sluiten deuren en ramen niet zoals het zou moeten, eventueel liggen de stoelen er min of meer los in, en breekt er wel eens een onderdeel van het interieur af tijdens de rit. Het mag duidelijk zijn dat de verplichte APK hier nog geen feit is. Het mooie is dat wanneer de auto uiteindelijk echt geen vonkje levensenergie meer bevat, dat je hem gewoon in de straat kan laten staan tot hij is vergaan. Althans dat bevestigt een flink aantal roestige karkassen dat onze wijk ‘siert’.

Afgelopen weekend had een extra dag vanwege, als ik het goed heb, de herdenking van de dood van José San Martín, samen met Simon Bolivar de belangrijkste bevrijder van Latijns-Amerika. We hadden twee feestjes gepland voor de nachten en voor de extra muzikale dimensie werd Fruity Loops op mijn laptop geïnstalleerd. Gevolg was dat Ariel en ik dag en nacht aan het luisteren en produceren zijn geweest. Danceplaten uit 1994 (the early Armand van Helden, Josh Wink en Eric Morillo) werden uit de kast gehaald, en ook een Argentijnse rockband die ook Andes-folklore gebruikt (Divididos), Pink Floyd, het minstens zo vette album Dub side of the Moon, Moloko en some of the latest minimal techno. Toen toch maar weer de wijde wereld in. Bar Makena is nu al mijn favoriete hang out voor de zondagavond; daar houden ze elke week funksessies met een bak vol hippe jonge muzikanten. Ook mijn nieuwe kennissenkring is enthousiast want Makena is volgens hen een van de weinige plaatsen in de stad waar men niet uitgaat om potentiële nieuwe liefdes op te duiken of om ‘gezien te worden’. Het zou best kunnen kloppen want het publiek is supergevarieerd en soms net wat meer avantgarde (maar niet zo heftig als de minimal revolutie in Nederland). Het enige algemene minpunt van het uitgaansleven tot zover zijn de wc’s. Het wachten is op de opkomst van de toiletjuffrouw en daarmee droge, niet-verstopte wc’s en de aanwezigheid van, jawel, WC-papier.

Piece # 2 – Ik ben een Immigrant

Ik begin me iets minder ‘te gast’ te voelen hier en steeds ietsje meer ‘een inwoner’. Bekender zijn met de gang van zaken is de sleutel. Simpelweg er langer zijn maakt me zekerder van mezelf. Ik ben niet zo bang meer dat ik bijvoorbeeld de verkeerde bus ben ingestapt, heb mijn lieftallige medestudenten leren kennen, een verjaardagsfeestje (van Ariel) meegemaakt en inmiddels voldoende empanadas gegeten en máte (ja toch!) gedronken om me porteña (inwoonster van Buenos Aires) te voelen.

 

We wonen vooralsnog in Bernal, een buitenwijk die ik iets wil toelichten, met name omdat er een groot verschil is met de binnenstad – door de porteños Capital Federal genoemd. Die heeft de grandeur van een historische Europese stad dankzij de oude gebouwen met schattige balkonnetjes, siertegels, muurdecoraties en houten luiken voor de ramen. Er zijn parken, kledingboetiekjes, knusse restaurantjes en winkels met designprulletjes of vintage hebbedingetjes, iets wat in veel andere (Zuid-) Amerikaanse steden ontbreekt. Ook heeft Capital Federal de langste avenida ter wereld (Rivadavia) en de breedste autoweg ter wereld (9 de Julio), die behalve natuurlijk smog en herrie bij mij ergens ook een gevoel van nietigheid veroorzaakt. Net als een heldere sterrenhemel. Zo ongeveer. Dankzij de pragmatische denkwijze van de Europese veroveraars hebben zo’n beetje alle steden in las Americas een stratenpatroon van kaarsrechte straten en avenidas die het complete stadsoppervlak verdelen in gelijkmatige blokjes. Handig, verdwalen is er eigenlijk niet bij.

 

Ik kan het niet laten om Bernal suburb te noemen, want het aanzicht van de straten is ongeveer zoals dat van die typische suburbs uit Hollywoodfilms. Weliswaar missen de gazons en de tuinsproeiers, daarvoor staan de huizen te dicht op elkaar. Ieder huis is anders (de eigenaar laat het zelf ontwerpen en bouwen), niet bijzonder groot, maar meestal redelijk stijlvol. Soms staan er wat bomen of bloemen omheen. Wat het onaangenaam maakt zijn de dichte luiken, het ijzeren hek of betonnen muur om het perceel en de ijzeren spijlen voor elk raam. Een vrij gesloten samenleving dus. Achter het hek ‘woont’ meestal de hond, waarvan ik er nog niet achter ben voor hoeveel procent die als beveiliging dient en voor hoeveel procent als huisdier.

 

Vlakbij rijdt een treintje, als een metro, dat direct naar de stad gaat. Een oud barrel is het, overdag helemaal volgestouwd met mensen, arme mensen die deels uit de sloppenwijken (villas) komen. Kansloze mensen moeten het zijn, want de middenklasse hier beschouwt de trein als ‘zeer gevaarlijk’ en neemt steevast de bus. De bus (collectivo) is een veilig vervoermiddel dat dag en nacht rijdt, en je kunt rustig je mp3-speler bij de hand houden. Met de bus reizen in Buenos Aires geeft slechts één groot probleem en dat is het muntgeld. De enige manier om een buskaartje te kopen is in de bus zelf via een apparaat dat alleen munten accepteert. Laat daar nou net in de hele stad een algeheel gebrek aan zijn. Hoe dit komt weet ik niet maar het feit dat de waarde van het materiaal (koper bijvoorbeeld) uitstijgt boven de waarde die de munt aangeeft draagt er zeker aan bij. Elke dag moet ik twee keer 1 peso 40 aan muntgeld zien te verzamelen, en dat doe je door kleine dingen te kopen zoals een chocolaatje, en af en toe winkelpersoneel lief aan te kijken zodat ze iets wisselen. Maar, vaak als ik iets koop krijg ik een extra chocoladereep aangeboden omdat het wisselgeld weer eens op is. Zo zijn er hier veel dingen die men accepteert tegen wil en dank.

 

Gezien worden als buitenlander is het ‘ding’ dat ik wel moet accepteren, ik ben het nou eenmaal. Maar het is vreemd om ineens te maken te hebben met vooroordelen. Ariel’s vader denkt dat Ariel ooit mee naar Europa zal gaan (want dat is wat iedereen hier zou doen), zijn oma keurt me goed omdat ik in haar ogen mooi ben, vriendinnen vragen wat ik doe om mijn haar stijl te krijgen (zij maken driftig gebruik van de stijltang). Vooroordelen die tot positieve discriminatie leiden dus, maar toch is het wennen om niet beoordeeld te worden op je kunnen maar op afkomst en uiterlijk. Slechts 4% van de bevolking van Argentinië is buitenlands, waarvan het grootste deel gediscrimineerd wordt in negatieve zin. Het zijn voornamelijk immigranten uit Bolivia en Paraguay die hier de laatste paar decennia zijn gekomen om te werken. Dit zijn de mensen die wel de trein (moeten) nemen die door Bernal boemelt.

 

Over migranten gesproken, binnen de studie zijn we met een stuk of 18 man, bijna allemaal afkomstig uit het buitenland: Mexico, Puerto Rico, Brazilië, Chili, Colombia, België, Paraguay en de Verenigde Staten. Tijdens de verschillende colleges hebben we ons moeten voorstellen en vertellen waar we vandaan komen. Ook was er een soort introductiebijeenkomst waar we hebben gesproken over de verschillen tussen de verschillende landen. Het begint nu inhoudelijker te worden en met name de cijfers en algemene aspecten van migratie komen aan bod, maar ik hoop enorm dat we niet voorbij gaan aan de mens. Hoe het voor migranten is om te midden van een andere cultuur te leven, hoe het hun identiteit beïnvloedt, en hun ideologie ten opzichte van de – discriminerende en bevooroordeelde – mens.

Piece #1 – Het Begin van mijn leven in Buenos Aires

De winter heeft Buenos Aires goed te pakken, het sneeuwt nog net niet maar een doordringende kou maakt zich van “ons” meester, elke dag weer. Het dikke wolkendek geeft de stad niet het mooie aanzien dat ik voor mijn aankomst op mijn netvlies had. Het is als zo’n doorsnee grijze februarimaand in Nederland: waterkou zonder kerstsfeer, om nog maar te zwijgen over schaatsen of chocoladeletters. Ik heb een paar handschoenen (wantas) en dikke Peruaanse sokken (medias) gekocht, met lama’s erop natuurlijk.

 

Maar ik mag niet klagen, ik heb nu een fijne week achter de rug en breng de meeste tijd door met Ariel, die inderdaad wel eens mijn grote liefde zou kunnen zijn en zich for some reason heeft ontpopt als mijn persoonlijke verzorger (hij laat me nog net een kop thee te zetten, zo nu en dan). Hij runt samen met zijn 23-jarige zus Marilina een klein laboratorium waar ze steensoorten uit heel Zuid-Amerika analyseren op de mogelijkheden voor het onttrekken van de aanwezige aardolie. Hij is een groot literatuur- en muziekfan en bestookt me continu met boeken van bijvoorbeeld Julio Cortazar en ik moet de meest uiteenlopende concerten op dvd aanhoren. Ook met zijn hond Moloko ben ik nu goede maten, het is een enorme boxer die bol staat van tomeloos enthousiasme, maar zijn hart zit helemaal op de goede plek, voor zover dat van een hond gezegd kan worden.

 

Mijn oog valt elke dag op grappige kleine details die voor de mensen hier doodnormaal zijn. De citroen- en sinaasappelbomen die op straat staan en hun vruchten directamente op ons patio laten vallen. De alomaanwezige pompoen is nu al mijn lievelingsgroente, vooral ook omdat je hem op veel manier kunt eten: als soep, jam, puree, pastavulling, empanadavulling of in hartige taart. De mensen die ik ontmoet die vrijwel direct vragen of ik “al” máte drink, blijkbaar het teken van een geslaagde inburgering. Ter illustratie, hier in de buurt staat zelfs een straatmonument van een matekop met bombilla (stalen rietje). Tot zover drink ik alleen thee van yerba máte in een theezakje, omdat het pure kruid me veel te bitter is.

 

Vrijdag heb ik mijn toekomstige huisgenoot José weer ontmoet, een springerige en non-stop kletsende jongen op hippe sneakers, die filosofie studeert, veel uitgaat en overal wel een mening over heeft. Hij moet nog één persoon vinden om het appartement mee te delen en dan kan er verhuisd worden. De enige echte cultuurshock die ik te verwerken heb gehad was toen José me vertelde dat er hier niet zoiets bestaat als een part-time baan. Een werkweek bedraagt standaard tussen de 40 en 48 uur, of je nou studeert of niet. Of je nou in de horeca werkt of op een kantoor. Colleges zijn daarom altijd in de avonduren. Wie ooit nog beweert dat latino’s lui zijn… Het voordeel is volgens Ariel dat vrijwel alle banen slecht betalen en dat (tenzij je een echte Monsterboard hyena bent) je dus net zo goed kunt doen wat je leuk vindt zonder je echt benadeeld te hoeven voelen. Het is maar wat je leuk noemt hè? Maar niet getreurd, ik blijf positief wat betreft job opportunities en bovendien hebben Ariel en ik serieuze, realistische plannen om een eigen bedrijfje te beginnen “in de IT”, waarover later meer.

 

Het moment is gekomen om nog even te genieten van het voorzichtige zonnetje op weg naar mijn tweede college (daarover ongetwijfeld meer later). ¡Hasta la proxima!