Piece # 30 – Simpel-weg Uruguay

Sinds ik in Argentinië ben staat Uruguay nummer één op mijn verlanglijstje landen-die-ik-van-plan-ben-te-bezoeken. Het meest verleidelijke aan Uruguay is dat het op slechts twee uur varen vanuit Buenos Aires ligt. Ik denk dat voor een inburgerende buitenlander in Nederland België ook hoog op zijn verlanglijstje zou staan. Een bereikbare droom voor reislustige types zullen we maar zeggen.

Dus voor de Paasdagen kocht ik boottickets naar het beloofde land daar aan de overkant van de zilverrivier. Ariel en ik kwamen donderdagavond aan in het dorpje Carmelo, dat slechts een donker gat bleek. Er stond een bus die naar Montevideo ging. Drie uur zou de reis duren. Dus we stapten in.

Na de bustocht die we zittend in het gangpad moesten doorbrengen (paasdrukte), kwamen we ‘s avonds laat aan in de hoofdstad Montevideo alwaar we eerst geen betaalbare hotelkamer konden vinden (paasdrukte alom). Uiteindelijk vonden we een semi-betaalbare waar lugubere schilderijen aan de muren hingen. Het maakte niet uit; doodmoe vielen we in slaap. ‘Lekker relaxt, zo’n vakantie’, dacht ik nog.

De volgende dag kochten we allerlei bustickets, heen en terug naar la Pedrera, het door ons tot verblijfplaats gekozen dorpje. Er waren nog maar net aan twee plaatsjes beschikbaar in het beperkte aanbod van busdiensten (weer paasdrukte), zodoende zouden we op de terugweg een halve dag in Montevideo doorbrengen, en later 5 uur moeten overbruggen tot de bootdienst naar Argentinië zou vertrekken. ‘Zien we dan wel weer, ondanks alle paasdrukte hebben we toch mooi de tickets’, zeiden we.

Helaas hadden we dus tickets bemachtigd voor de meest langzame busdienst van allemaal waardoor we pas na nog eens 4 uur reizen in la Pedrera aankwamen.

Maar, la Pedrera maakte alles goed. De camping was mooi natuurlijk, ons tentje stond binnen 10 minuten, en de eigenaresse serveerde ons gebakken vis en aardappelpuré (ja, een ware specialiteit) met Uruguayaanse wijn. We gingen het dorpscentrumpje in en ook dat was werkelijk leuk. Er was een jazzfestival aan de gang, en de paasdrukte was hier geen drukte was maar zorgde er juist voor dat dit gat er niet geheel verlaten was. Bovendien was er een prachtig uitzicht op het ongerepte strand, de zeer woeste golven en de sterrenhemel.

De volgende dag hadden we eindelijk helemaal niets van doen met alles wat de mens het leven lastig maakt (zoals paasdrukte!) en bleven we de hele dag op het strand (hier wat foto’s). Grappig genoeg was er helemaal niemand! Terugwandelend smokkelden we een eucalyptusplant met wortel en al mee uit het aangrenzende natuurgebied. Die avond barbecueden we en bezatten we ons samen met wat andere flamboyante en minder flamboyante verschijningen die zich toevallig ook in la Pedrera bevonden. Ja, de vakantie was nu eigenlijk al compleet.

Dag drie was een snikhete dag en we probeerden, eenmaal weer in Montevideo, hoogte te krijgen van deze stad en haar inwoners. We kwamen echter niet veel verder dan dat de hoofdstad een geheel vervallen, grijs en straatarm centrum heeft waar bar weinig te beleven is. Logischerwijs komen de stedelingen het liefst naar Buenos Aires; en ik kan ze ondanks mijn persoonlijke bezwaren geen ongelijk geven.

Tot slot moet ik gewoon even melden dat men in Uruguay de mate letterlijk geen moment met rust laat. Is mate drinken in Argentinië iets voor tijdens het werk of het socializen, in het buurland reist, slaapt, fietst en gaat men al mate-slurpend naar de WC met de thermoskan onder de arm geklemd.

Piece # 24 – Het wilde westen

Op het eerste oog lijkt Junín de los Andes een piepklein saai dorpje waar alleen maar vissers komen die regenboogforellen uit de vele ondiepe, snelstromende rivieren aan hun haakjes slaan. Wat hadden wíj hier ook alweer te zoeken?

Gaucho’s en tafelbergen

We hadden echter ons kampje nog niet opgeslagen op de camping of we stonden al een uur te keuvelen met de eigenaar, we zagen de forellen uit het water omhoog springen in de twee riviertjes die langs de tent liepen en we zagen dagelijks wel een paar gaucho’s van het type “ik stop mijn broek diep in mijn laarzen, knoop mijn das om, zet mijn hoed op en leg mijn knapzak over de linkerschouder”. En dat terwijl wij, net als veel Argentijnen die altijd in de grote stad hebben gewoond, in de veronderstelling verkeerden dat de gaucho een uitgestorven fenomeen was.

Hoe dan ook, we waren in elk geval betoverd geraakt door de authenticiteit en de nuchtere eenvoud van dit dorp. Vlak achter de camping doemden een paar bergruggen op die we vanwege hun vorm tafelbergen noemden. Het droeg allemaal bij aan de western look and feel. Achter de tafelbergen ligt het Parque Nacional Lanín, dat zo heet omdat het de enorme, dikbesneeuwde vulkaan Lanín herbergt. Terwijl je door het park loopt of rijdt (we gingen er met de bus naartoe) is het eenvoudigweg moeilijk je ogen van deze vulkaan af te houden. Er ligt ook een heel groot helder meer met lavastrandjes, grassige weiden vol arocaria’s, steppes en nog meer bergen met beekjes en watervallen.

Er was zoveel te zien, waarom hadden we onze tent niet direct hier neergeplant op een van de campings gerund door de Mapuche? Volgende keer dan maar.

Siësta’s en bodega’s

De stad Mendoza en haar omgeving moesten we zonder Ariel bezoeken want hij moest alweer aan het werk. De stad is nu tropisch warm, maar wordt lekker koel gehouden door de enorme platanen aan beide kanten van iedere straat zodat je altijd in de schaduw loopt. We kwamen er al gauw achter dat in deze stad de siësta nog heilig is, zo heilig dat zelfs de fonteinen op de stadspleinen eraan meedoen. Tussen 13 en 17 uur is er echt geen bal te doen, maar dat kwam goed uit want zo konden we ons direct richten op de bezienswaardigheden buiten de stad waarvoor we eigenlijk gekomen waren.

Net buiten de stad zijn honderden bodega’s oftewel wijnmakerijen: van industriële massaproductie tot familiebedrijfjes met zeer exclusieve biologisch geteelde wijnen. We gingen op bezoek en proefden van alle soorten wat en denken nu graag dat we helemaal op de hoogte zijn van de ins en outs van goede wijn.

Ook de bergen konden we dit keer weer niet links laten liggen. Wat wil je ook als de hoogste piek van Noord- en Zuid-Amerika hier te bezichtigen is (Aconcagua 6962 m) en de film Seven years in Tibet hier opgenomen is? Nadat we onze oren dicht en open waren geplopt en we weer een gig aan digitale foto’s erbij hadden geschoten, konden we met een gerust hart een busticket naar Buenos Aires kopen.

Piece # 23 – Flower power en klein Zwitserland

We kwamen bij het aanbreken van de tweede week van onze trip aan in een heel mooie regio, die qua landschap een combinatie is van Zwitserland, Wales en Scandinavië.

Samen met Ariel die dezelfde kant op was gereisd vanuit de hoofdstad, zagen we het stadje Esquel, de Welsche nederzetting Trevelín en het stadje El Bolsón. Deze laatste wordt overal vol trots aangekondigd als de enige echte hippiegemeenschap in Argentinië, maar het leek er meer op dat er vooral veel backpackers met dreads, heuptasjes en muziekinstrumenten dag en nacht in het meest centraalgelegen park rondhangen. De hippies die zich hier in de jaren ’70 voor het eerst vestigden houden zich nu waarschijnlijk allemaal schuil in de vallei waar ze zich aan de fruitteelt wijden. En met succes. Zelfs in het wild plukten we de kersen, rozenbottels, gele pruimen en bramen zo van de bomen.

Poppy

Het lot wilde onze ongemakkelijke busreis vast compenseren want we vonden zonder enige moeite een blokhut die nog niet geboekt was: Cabañas “Poppy” heette het complex. We reden erheen zonder te weten of ons nieuwe onderkomen zich aan de rand van een meer, een berg, een vuilnisbelt of misschien wel een golfterrein zou bevinden. Het werd de berg. Verder had het knusse huisje plek genoeg voor ons vieren, een paradijselijke tuin vol bloeiende bloemen, praktische zitplaatsjes, een barbecue, een hectare bos, uitzicht op besneeuwde (Chileense) bergtoppen en een lieve Nederlandse buurvrouw (Poppy) die de blokhut zelf gebouwd bleek te hebben en ons afwisselend in drie talen haar indrukwekkende levensgeschiedenis vertelde.

Paradijs

We bleven van maandag tot zaterdag en smeedden dagelijks nieuwe plannen voor een nieuw leven hier in het paradijs. Het was overdag zo’n 30 graden, en ‘s avonds steeds perfect weer om te barbecuen – wat we dan ook deden. Ook was het nu weer het moment om weer eens een National Park aan te doen (Argentinië heeft er 38 dus af en toe voel je ‘de plicht roepen’). Parque Lago Puelo is genoemd naar het kristalheldere, kobaltblauwe meer middenin het park. Weer overal bergen eromheen, en ook de gletsjers en watervallen ontbraken dit keer niet. Met een kleine rubberboot bedwongen we de woeste golven, een ervaring die zeker iets weg had van een raftingtripje, inclusief spierpijn in de onderste lichaamsdelen de volgende dag.

Omdat je van een meren zoals deze niet snel genoeg hebt besloten we om  naar Bariloche te gaan. Deze stad ligt aan de rand van het Nahuel Huapimeer dat al sinds de Mapuche-indianen deze naam eraan gaven om zijn schoonheid bewonderd wordt (en zijn eigen Loch Ness monster zou hebben). De Argentijnen zijn bovendien gek op het stadje zelf; het hele centrum is in Zwitserse chaletstijl gebouwd, en er zijn veel restaurants, discotheken en chocoladefabriekjes. Toen we dat allemaal gezien hadden, maakten we een trekking van 12 km tussen de bergmeren, bamboebossen en arayanewouden. Daarna namen we opnieuw de bus,  die ons dwars door het sprookjesachtige zeven-meren-district naar Junin de los Andes bracht.

Piece # 22 – Gletsjers enzo

Op een warme woensdagavond in januari stonden er tussen de wachtenden in aankomsthal A van luchthaven Ezeiza twee mensen die net iets meer last van zenuwen hadden dan de anderen. Wel een uur lang verschenen er steeds nieuwe reizigers tussen de schuifdeuren maar geen van allen voldeden voor honderd procent aan het profiel van het echtpaar dat niet wist dat er iemand op hen zou wachten: mijn ouders.

Eenmaal door de schuifdeuren heen duurde het even tot het tot ze was doorgedrongen dat er een bekend gezicht voor hun neus stond (ik). En dat hun eerste ontmoeting met hun brand new Argentijnse schoonzoon zojuist plaatsvond. Blijdschap over en weer. Nog veel meer hartelijke ontmoetingen volgden in de dagen daarop hier in Buenos Aires; met collega’s, schoonfamilie, buurtbewoners en de stadsdelen La Boca, Puerto Madero, Palermo en Caballito. Maar, nog voordat de eerste tango gedanst kon worden en nog voordat er tijd was om op één van de uitnodigingen voor een asado (Argentijnse BBQ) in te gaan, zetten wij drietjes (Ariel enigzins treurend achterlatend) koers naar de provincie Vuurland. Deze zouden we vanuit het meest zuidelijke stadje ter wereld, Ushuaia, gaan verkennen.

_ushuaia-17thumbnail

Tierra del fuego!

Ushuaia ligt tussen een aantal bergen, voorzien van gletsjers en sneeuwtoppen, aan de baai die grenst aan het Beaglekanaal. Op de kaart is dat een 80 km lang strookje water dat de Atlantische oceaan en de Pacifische oceaan verbindt, in werkelijkheid praten we over deinende golven met hier en daar een enorm cruiseschip, een gek eilandje, zeeleeuwen en allerlei vreemde vogels, zoals pinguïns. Ondanks dat er nog vele kilometers restten tot aan Antarctica of zelfs maar de zuidelijke poolcirkel krijg je er wel het perfecte einde-van-de-wereld-gevoel, niet in de laatste plaats vanwege de waterige kou en de snijdende wind. Het is echter zomer en de zon liet zich regelmatig zien dus we stelden ons niet aan en maakten een zeiltocht en we liepen een dag omhoog tegen een berg op om alvast met de voeten in een gletsjer te kunnen staan.

Gletsjers zouden een belangrijk thema blijven tijdens deze reis; we kwamen ze in alle soorten en maten tegen in de noordelijke delen van Patagonië. De allergrootste ter wereld kwam binnen ons bereik toen we na een 18-urige busreis en vier vermoeiende grenscontroles (Argentinië uit, Chili in, Chili uit, Argentinië in, goed dat ik m’n paspoort toch had meegenomen) arriveerden in het stadje El Calafate.

Ijsmatras

De Perito Morenogletsjer die daar in de buurt ligt is een 28 km lang ijsmatras van 55 meter dik dat ligt uitgestrekt als een blauw-wit massief waarvan de bovenkant heftig met een grote schaar lijkt te zijn bewerkt. De ijspunten die naar boven steken, waar het zonlicht hier en daar doorheen tracht te schijnen, de diepe kloven waaruit zo nu en dan een onweerachtig gedonder opstijgt, het draagt allemaal bij aan het gevoel dat we naar een live versie van Planet Earth kijken. Spannend als een thriller, je ogen strak gericht op de rand van de gletsjer, die schittert in de felle zon, want, ieder moment kan er een flink blok ijs afbrokkelen en met een diepe plons in het turquoise smeltwatermeer storten. En dat gebeurde ook, hè hè gelukkig!

perito_moreno9

Dankzij busbedrijf Taqsa kregen we de kans 24 uur lang ons geduld op de proef te stellen. 24 uur lang staren naar dezelfde eindeloze steppevlakten en overleven op een flauwe ham-kaas sandwich en maar één stop om te ontbijten, lunchen en dineren. De hoogtepunten van de reis deden zich voor toen we struisvogels, huemuls (een typisch Patagonisch lama-achtig rendier) en een meer vol flamingo’s passeerden, dat was dan wel weer speciaal.

huemul2

Argentinië: ¿Hasta luego?

Het is niet moeilijk om hier in Buenos Aires de hele dag rond te lopen met een glimlach op mijn gezicht. (De hele dag wil overigens zeggen, gedurende de tijd dat ik wakker ben.) Ik moet lachen om mijn nieuwe vrienden in het hostel die elke avond mee uitgaan en de volgende ochtend met pijn en moeite om 8 uur opstaan voor vijf uur lang Spaanse les. Ik moet lachen om het Engelse stel dat ons meesleepte naar de beste restaurants van de stad, en waarmee ik voor een keer non-vegetarisch heb gegeten: je kunt immers Argentinië niet verlaten zonder een decent steak-experience. Ik moet lachen om Alex die me meesleepte naar de Filosofiefaculteit waar we onvoorbereid een college volgden, zittend op de grond, maté drinkend en chocola etend. Ik moet lachen om de pretentieuze nachtclubs met jaren ´80 en ´90 muziek, de hopeloos slechte versierpogingen van de Argentino’s, travestietenshows, ontbijtjes in het vroege ochtendlicht. Ik moet lachen om mijn laatste date, die trots als een pauw rondrijdt in wat hij noemt een vintage-auto: een superkleine rode Fiat uit 1968.

 

Buena onda

En mocht me het lachen af en toe even vergaan, dan zijn er altijd vele deciliters goede wijn, tangoshows op straat, winkels vol met de gaafste (tweedehands)kleding, geweldige musea, het mooie Recoleta-kerkhof, de beroemde wijk La Boca, het hippe Palermo en overal una buena onda: een goede vibe.

De vibe is zo goed, de stad zo mooi en de mensen zo vriendelijk dat ik erover denk hier heel snel terug te komen, voor een stukje studie aan de Universidad de Buenos Aires: politicas de migraciones internacionales. Komende maandag stap ik op het vliegtuig naar Nederland, daar ga ik er eens rustig over nadenken…

Deze afsluiting is niet in de laatste plaats tekenend voor mijn verblijf hier: dit continent heeft een grote indruk bij me achtergelaten, groter dan ik had verwacht. Ik voel op dit moment al dat voorgoed afscheid nemen niet gaat lukken, hoe en waarom precies, dat heb ik nog niet op een rijtje. Zoals alle aspecten van het Latijns-Amerikaanse leven is het een kwestie van gevoel, vermengd met spontaniteit en waardering voor al het mooie in het leven.

Paraguay: Welcome on board

Laat in de middag stapte ik de loopplank van de Guaraní op met in mijn tas wat kleren, een hangmat en eten voor een dag.

Ik passeerde de ronkende en stinkende motor op het onderdek, toen het personeel dat me van alle kanten aan leek te staren, ging de trap op naar het bovendek, en… zuchtte van verlichting. Er woei een koel briesje, er waren houten banken waarop ik een aardig Frans stel aantrof en er was een Canadees bezig zijn hangmat op te hangen. Wij vieren zouden de enige gasten zijn op deze vrachtboot tijdens de trip naar Concepcion.

De coördinator van de boot, denk ik (het was ons in het geheel niet duidelijk wie er nou de kapitein was, wie de stuurman en wie ‘in charge’ ), zei ons dat we op het dak het beste uitzicht hadden. En dus klommen we daarop om een van de beste zonsondergangen van mijn leven te zien. De rest van de trip bestond vooral uit hangmat-hangen, lezen, zonsop- en ondergangen zien en af en toe een hapje eten in de keuken. Gelukkig werd er voor het personeel en voor ons, indien gewenst, eten geserveerd. De tocht over de Río Paraná duurde namelijk 48 uur in plaats van 24 uur zoals mij was verteld.

De Canadees had informatie verkregen waarin stond dat de tocht drie dagen zou duren, en de Lonely Planet zegt 30 uur. Ach. Na twee nachtjes slecht slapen vanwege de stinkende en ronkende motor, de wiebelende hangmat en de muggen vond ik het stiekem wel fijn weer aan land te gaan.

De hoofdstraat in het stadje Concepción leek op zondag wel een motorcircuit. Werkelijk iedere motor of scooterbezitter, en dat zijn er nogal wat, reed heen en weer, voornamelijk om te zien en gezien te worden. We zagen jongeren al kletsend naast elkaar rijden op scooters, voorzien van mobiele telefoons en grote zonnebrillen, maar ook gezinnetjes met z’n driëen op een voertuig, wederom voorzien van mobiele telefoons en grote zonnebrillen. Verder waren en hummers en andere enorme wagens. Bij zeker de helft zag ik geen nummerplaat.

De volgende dag, maandag, leken we ons in een heel andere stad te bevinden. De stad was de rust zelve en de hoofdstraat werd voornamelijk bereden door paard-en-wagens, fietsen en voetgangers. De paardenkarren transporteerden de vracht die van en naar de Guaraní werd gebracht. Het laden en lossen in de vroege ochtendhitte was voor iemand uit een moderne samenleving zoals ik, een geweldig tafereel. Jongens rolden loodzware tonnen over de supersmalle loopplank, anderen sjouwden met kisten vol tomaten, pakken wc-papier, matrassen… Je kunt het zo gek niet bedenken of het belandde op het dek van de boot waar men alles zo goed en kwaad als het ging vastbond. De eveneens verhitte paarden dronken uit de rivier en kregen tegelijkertijd een wasbeurt.

Diezelfde dag nog liep ik voor de laatste keer in mijn leven over de ongeasfalteerde terracottakleurige straten van dit eigenaardige stadje, richting busstation. De reis zou doorgaan naar Argentinië waar so-called Buenos ‘fucking’ Aires wachtte.

Stukjes Brazilië, Argentinië en Paraguay

Mijn verhaal vervolgt in Sao Paulo, de grote hippe stad dichtbij de kust ten zuiden van Rio. Hier ontmoette ik als eerste de Besluiteloze Ex, die me meenam naar een feestje met zo´n 200 man, georganiseerd door vrienden. Wat ik daar zag kwam me in het geheel niet bekend voor: superhip gekleden mensen driftig stampend en swingend op alles wat je kunt vinden op de grenzen tussen samba, rock, forro, polka en dance. De toon was gezet, de Brazilianen weten echt wat feesten is en het maakt ze niet uit dat het pas 23.00 uur ´s avonds is en dat er niets anders te drinken is dan bier. Ook leerde ik Sao Paulo kennen als de stad van de Grote Gebouwen, die zijn werkelijk overal waar je maar kijkt: er zijn talloze beroemde architecten verantwoordelijk voor. Maar goed, aan grote gebouwen heb je niet zoveel, en evenmin aan Besluiteloze Exen dus ik verkaste naar het Hostel der Hostels, in de hippe wijk Vila Madalena. Daar hoorde ik mezelf elke dag zeggen: “Tomorrow I´ll be leaving, I think.” En natuurlijk ging ik dan niet. Het leven was te goed, elke dag stonden wij hostelgasten wel ergens op de gastenlijst, elke dag weer waren er verse caipirinhas en het zou zonde zijn om de leuke, sympathieke, gastvrije Brazilianen zo snel te verlaten. De hosteleigenaar bijvoorbeeld, stuurde zijn vrienden langs om ons mee te nemen naar het 2 uur verderopgelegen strand (een paradijsje!). Een andere keer nam hij ons mee naar een introductiefeest op de universiteit waar hij had gestudeerd: het bleek nogal incrowd te zijn en de ingredienten voor het feest waren voornamelijk bier, verf, water en modder. Na een week volledige brakheid kon ik in ieder geval samba dansen, had ik Marco Carola weer eens live mogen aanschouwen, wist ik weer hoe ik make-up moest aanbrengen en…was het toch echt tijd om te gaan.

De volgende stop was Puerto Iguazu, net over de grens in Argentinië. De prachtige watervallen die inmense hoeveelheden water met een ongelofelijke kracht naar beneden laten storten waren zeker om over naar huis te schrijven. Een leuke plus waren ook de mooie vlinders, vogels, levensgrote leguanen en coaties die overal in de bush te vinden waren. De dag erna deden mijn kersverse reisgenoot en ik het grote grensovergangspel. We reden terug naar Brazilië en vervolgens naar Paraguay. Concreet betekende dit 2 uur terug in de tijd, een paar nieuwe stempels in het paspoort en veel geharrewar met pesos, reais en guaranies. Dat laatste is een behoorlijk achterlijke munteenheid, met biljetten van 1000 tot 100.000 guarani. Andere aspecten van de Paraguayaanse cultuur zijn ook even wennen na al die luxe van de afgelopen weken: zo ben ik mijn camera alvast kwijt, lijken buschauffeurs niet te willen zeggen wanneer je moet uitstappen en is het centrum van Asuncion na 19.00 uur ´s avonds niet bepaald veilig te noemen omdat het voor een groot deel uitgestorven is. Ondanks dat heb ik hier superlieve locals ontmoet. Ik werd uitgenodigd het populaire (maar o zo bittere) drankje tereré oftewel ijs-yerba-mate te drinken, kreeg een rozenkrans om het ongeluk van de gestolen camera te compenseren, en ik werd “thuis” uitgenodigd waar ik een zieke moeder aantrof, een plantentuin en heerlijk eten. Vanmiddag ga in aan boord van een redelijk oud vrachtschip genaamd Guaraní (de Guaraní is trouwens de grootste inheemse cultuur van Paraguay), dat mij naar Concepción zal brengen, hopelijk veilig en wel. In elk geval zal het interessante uitzichten – en wie weet inzichten – opleveren, de Rio Paraguay cruisen al liggend in mijn hangmatje te midden van tereré slurpende mensen en de enorme hoeveelheden vracht (bier, groenten, etc) die ik vanmiddag ingeladen zag worden.

Brazilië: Kaaimannen en carioca´s

Sinds ik per taxi en bestelbusje de Braziliaanse grens overgeheveld ben, is alles heel snel gegaan. Voor ik het wist zat ik achterin een jeep te midden van backpacks en nog wat mensen, al zwenkend en hobbelend over een onverharde weg vol zachte modder. Ik verwonderde me over de groene papagaaien die ons steeds om de oren vlogen, vlinders en tientallen andere vogels in iedere denkbare kleurencombinatie. Ik keek uit over de moeraslanden en met kleine meertjes en ondiepe beekjes links en rechts van de weg. Opeens stokte mijn adem: daar lag gewoon een krokodil te zonnen! Het was op dat moment even bijkomen, ik realiseerde me dat ik niet in de dierentuin was maar in de Pantanal, het grootste wildlife reservaat van Zuid-Amerika.

 

Pirañas en muggen

De drie opvolgende dagen begon de gewenning in te treden: we zagen tientallen apen, otters, leguanen, herten, meer kaaimannen, een jaguar-achtig beest waarvan ik de naam kwijt ben, pirañas en andere dieren die me tot noch toe onbekend voorkwamen zoals de capybara. En vogels, vogels en nog eens vogels… We zwommen de ene dag in de rivier vlakbij het kampament en de volgende dag vingen we pirañas for dinner in dezelfde rivier, oeps! Gefrituurd smaken ze trouwens best oké. Als we niet op avontuur waren, leerde ik Portugees van onze gids, die me ook heeft ingewijd in de meest populaire muziekstromingen hier (met behulp van DVD´s) zoals forro, calypso en feestmuziek uit Bahia. En, de twee hoofdactiviteiten zou ik bijna vergeten: het wegslaan van muggen (continu) en het sprayen met anti-mug (elke 15 minuten herhalen). Dat was iets minder grappig, ik verliet de vochtige, warme, mugvriendelijke Pantanal als een soort wandelend muggenhotel met ongeveer 300-400 beten.

 

Onverbeterlijk Rio

Gelukkig kon ik bijkomen onder het genot van droge airconditioned lucht in een bus naar Rio, wel 23 uur lang. Daar werd ik bij aankomst, in een willekeurig hostel, direct hartelijk onthaald met flauwe grappen van het Canadese en Braziliaanse personeel. Flirten is hier, ik denk nog vóór voetbal, volkssport nummer één, en dat maakt het leven voor de blauwogige tourist wel een stuk makkelijker. Maar ook moeilijker - tenminste als je zoals ik liever alleen wil slapen - zodra het nachtleven begint en er voortreffelijke caipirinhas in het spel komen.

Brak zijn is daarom een van de hoofdactiviteiten van de carioca’s, de inwoners van Rio. Maar ze eten ook graag zoetigheden, drinken verse sappen of agua de coco direct uit de kokosnoot, shoppen en liggen op het strand: Ipanema en Copacabana zijn de meest populaire stranden. Al met al, Rio de Janeiro is werkelijk een schitterende stad. Ik ben natuurlijk snel naar Cristo Redentor, het Jezus standbeeld, gegaan en vandaaruit zie je zo ver het oog reikt de stadsbebouwing, groen, stranden, de zee, eilanden en veel bergen die ook helemaal begroeid zijn. Deze stad heeft werkelijk alles. Ik zou nog veel langer kunnen blijven maar mijn portemonnee zegt nee. Dus we wagen nog een surfje en morgen op naar São Paulo.

Bolivia: De andere wereld

Iedere stad en iedere nieuwe plaats die ik bezoek in Bolivia, doet me verbazen. Maar Santa Cruz spant de kroon.

Het is de grootste stad van het land, ligt ongeveer op de grens tussen het inmens grote Amazonegebied en het inmens grote Andesgebergte. Na zeker 1,5 maand in de Andes te hebben doorgebracht betekende dit voor mij één ding: tropische hitte! Santa Cruz is de stad van de palmbomen, korte broeken, slippers, airconditioning, koude douches en schepijs, veel schepijs. Braziliaanse invloeden zijn er ook volop: BBQ restaurants, flirtende mannen, dure auto’s en winkels vol met producten uit het buurland. Kortgezegd, ik waan me in een andere wereld.

 

Onafhankelijk

Deze wereld wil zich economisch en politiek onafhankelijk verklaren van het Bolivia van Evo Morales. Deze werd in andere streken toegejuicht via de graffiti op de muren, hier wordt hij doodgewenst of ´bedankt´ in niet zulke fijne bewoordingen. Hier zijn ze bang dat hij als een soort Chávez zal gaan huishouden (Morales is begonnen met het opstellen van een nieuwe grondwet)  en de rijkdom zal afpakken van deze regio, van deze mensen, die het land hebben gemaakt tot wat het nu is. En zoals ik al aangaf, hier ziet dat er niet al te beroerd uit.

 

Potosí en Sucre

Voor ik hier aankwam heb ik nog de nodige dromen beleefd. Eindeloze natuur-avonturen vlakbij Samaipata. Watervallen, varenbossen (varens zo hoog en zo groot als palmbomen), bergtoppen, koken op een houtvuurtje, muggenbeten incasseren, het kwam er allemaal in voor. Verder heb ik met mijn Franse reisgenoten door de zilvermijnen van Potosi gekropen (dynamiet-explosies included) en de boel verkend in en rondom in de rustige, koloniale stad Sucre.

Brazilië is de volgende stap, vanmiddag stap ik op de trein die me een stuk verder zal brengen in de andere wereld. Om een of andere reden wordt deze trein ook wel de dodentrein genoemd maar voor zover ik weet zijn er alleen doden gevallen doordat mensen een plaatsje op het dak verkozen boven een normale zitplaats. Na zoveel nachtelijke busreizen over onverharde wegen en taxiritten waarbij ik 2,5 uur lang een zitplaats moest delen met iemand anders, kijk ik erg uit naar het ritje in de dodentrein.

Ik zal Bolivia erg missen, er is nog zoveel meer te zien, ik voel me veilig en de mensen zijn enorm lief. Helaas heeft het noorden van het land te kampen met heftige overstromingen, zitten er tienduizenden mensen zonder huis. Ik had heel, heel graag wat langer gebleven, maar in de stempel in mijn paspoort hebben ze 30 dagen geschreven, en die zijn bijna om. Ook het Spaans spreken zal ik missen, ik heb al driftig geoefend op ”tudo bem?” en “você fala ingles?” maar echt ver zal ik het niet gaan schoppen in het portugees. In Brazilië zal de hitte mij, zoals iedereen, nog meer om de oren slaan. Maar goed, we hebben het hier wel over het beloofde land! Het Zuid-Amerikaanse ideaal, het exotisme, een levensstijl en een vibe die nergens anders ter wereld te vinden zou zijn.

Bolivia: Het land van 1000 dromen

Bolivia? Yes indeed. Waar zal ik beginnen?

Ik werd door een klein busje waarin een paar Canadezen en ik gedumpt in Copacabana, een klein zonnig maar koud plaatsje aan de rand van Lago Titicaca, het meer op de grens met Peru (saillant detail: beide landen claimen dat het deel “titi” aan hen toebehoort en “caca” aan de ander, dat laatste betekent namelijk heel letterlijk “poep”). Hier ontdekte ik hoe goedkoop Bolivia werkelijk is, het hotel kostte 1,20 $ per nacht, en hoe een niet-zo-vers-meer tomatensoepje je dagenlang aan het bed kan kluisteren, grrr. Ondertussen was Olivier de slaapzaal binnen gestapt, een Canadees waarmee ik op kerstavond in Peru nog aan de borrel had gezeten. Met hem én al zijn muziekinstrumenten, ben ik vervolgens verder gereisd, te beginnen bij Isla del Sol.

 

Inca-eiland

Dit eiland is de oorsprong van de Incageschiedenis, vanuit hier zou de allereerste Inca in opdracht van de Zonnegod, zijn begonnen het rijk te stichten. Het eiland was superkoud en de boottocht lang, maar we werden goed beloond. Een prachtig eiland, uitzichten op besneeuwde bergtoppen verder landinwaarts, vriendschap met een Belgisch stel, zonsondergangen, sterrenhemels, Incaruines, VEEL wind, de INTENS brandende zon, heerlijk eten, en vriendelijke mensen die hun hand niet omdraaien voor een verhuizing waarbij ze matrassen, kasten en tafels op hun rug de berg op dragen. De tweede nacht op het eiland was min of meer een verplichting want we hadden de laatste boot gemist. Het resultaat was een overnachting in het allergoedkoopste pension ooit, op een keihard matras van stro, de wc bevond zich naast het varkenshok, de muren hingen vol posters van Evo Morales (hij is genadeloos populair hier, wellicht de nieuwe Che, iemand een Evo t-shirt?), en de eigenaar en zijn familie waren supervriendelijk. Of we hun keuken niet wilden gebruiken om een matecito te bereiden, het is immers koud?

Even terzijde, overal waar ik kom stikt het werkelijk van de Argentijnen. Ze hebben nu vakantie en overspoelen het continent, al mate-drinkend uit thermoskannen die ze overal mee naartoe slepen. Maar het leuke is dat ze over het algemeen jong en vriendelijk zijn, net als de meeste mensen die ik tegenkom, en altijd bieden ze mate aan of wat ze op dat moment ook consumeren.

 

La Paz

De reis ging vervolgens naar La Paz, een naar onze standaarden niet erg moderne stad met hier en daar een paar contrasten zoals vrouwen in volledig traditionele kleding die mobiele telefoons verkopen. Traditionele kleding: denk aan een rok gemaakt van zo´n 8 meter stof zodat haar kont enorm lijkt, een gekleurde doek die ze als rugzak gebruikt voor spullen of een baby en lange vlechten in het haar en een bolhoedje dat op het topje van haar hoofd balanceert. Een van de leukste bezienswaardigheden is de heksenmarkt, waar men allerlei soorten offermateriaal kan kopen om pachamama gunstig te stemmen. Pachamama is een soort oppernatuurgod, vrij vertaald “moeder aarde”, waarin alle Bolivianen geloven. Ze geloven dat zij het meest gelukkig wordt van offers zoals bier, wijn, suikergoed en zo af en toe een dode kikker of lamafoetus. Ook voegt men namaakgeld en miniatuurautootjes en -huisjes toe om aan te geven dat dat is waarnaar men streeft. Dit alles is te koop op de heksenmarkt, samen met allerlei geluk- en liefde brengende zepen, oliën, pommades, stenen, zaden en cocablaadjes.

De cocablaadjes worden volop gebruikt hier in Bolivia, en ook in Peru en Ecuador maar minder frequent. Ze stoppen de blaadjes samen met een kalkbevattende substantie in hun wang en roteren deze bal in hun mond zonder te kauwen. Op deze manier kun je de sappen eruit zuigen zonder dat het geheel al te bitter wordt. Uiteindelijk schijn je dan een iets van aangenaam gevoel te krijgen (plus een verlamde wang) en het helpt tegen vermoeidheid en eetlust. Ik vind het niet echt smakelijk, drink af en toe een mate de coca en dan heb ik het wel weer gezien. In La Paz heb ik nog meer geleerd over coca en de historie ervan in het Coca museum, erg leerzaam want gek genoeg wist ik bijvoorbeeld niet dat voor Coca cola nog steeds cocablaadjes worden gebruikt. Cocaïne is een ander verhaal. Zowel voor de illegale productie daarvan als voor Coca cola zijn de Boliviaanse cocaplantages noodzakelijk, maar doordat de eindproducten elders worden vervaardigd kan Bolivia er nauwelijks iets aan verdienen.

 

Carnaval

Vanuit La Paz vertrokken we met een bus van ware topkwaliteit (niet dus, ze gebruiken enkel afdankertjes uit Brazilie) over een weg van topkwaliteit (hobbel met hoofdletter H)  naar het stadje Oruro voor het carnaval. Heel Bolivia praatte er al maanden over en wij zouden erbij gaan zijn! Maar, in werkelijkheid hadden we geen idee wat te verwachten behalve parades met dansers in kostuums. De tour die we hadden geboekt, allereerst, bleek van een speciale klasse te zijn: onderweg kregen we steeds halve bekertjes rum-cola aangeboden van de ‘reisleiding’, die al snel nog dronkener was dan wij. Om 2 uur ‘s nachts kwamen we eindelijk aan bij de “accomodatie”: een huis van een familie die al hun meubels aan de kant hadden geschoven zodat wij met z’n 40-en op de grond konden slapen. Helaas was de leiding ons vergeten te vertellen dat slaapmatjes en -zakken nodig waren…

 

Het carnaval zelf is samen te vatten als volgt: een parade van meer dan 36 uur achter elkaar, waar mensen naar kijken vanaf tribunes onderwijl elkaar natgooiend met waterballonen en gebruikmakend van spuitbussen met zeepschuim. Het dragen van een poncho is daarom wel aan te raden, en die kregen we gelukkig ook van onze geweldige reisleiding. De parade telde meer dan 100 groepen waarvan de kostuums werkelijk vanalles uitbeeldden: duivels, beren, goden, sexy vrouwen, amazone-types, altiplano-types, cowboys, charlie chaplins. Maar zoals vrijwel ieder carnaval ontaardde het geheel in straten vol met pis, blubber en dronken types die je gezien de aggresieve blik in de ogen liever niet wil meemaken. Zodoende begonnen wij een zoektocht naar een geschikte bar om ons te ontdoen van bevroren handen en iets beters te drinken dan rum-cola en lauw bier. Die vonden we: een bar van al het carnavalgebeurd gescheiden was door een enorme stadsmuur. Met een cocktails en een zeer slechte rockband op het podium.

Helaas bleek de volgende dag dat het carnaval allerminst over was en dus moesten we opnieuw met ponchos en al door de nattigheid om aan een buskaartje te kunnen komen.

 

Uyuni en andere indrukwekkers

Dankzij al het vorige sliep ik wonderwel in de nachtbus (wederom hobbels als nooit te voren en een lekke band) naar Uyuni. Daar stapten we dezelfde ochtend nog in een jeep voor een driedaagse tour. Een tour die geen enkele toerist in Zuid-Amerika overslaat. En dat is hem of haar geraden ook, want het moeten haast wel de meest bijzondere en adembenemende landschappen op deze aardbol zijn.

 

We belandden in een jeep met een mix van 2 fransozen, 2 francaises, een argentijn, de canadees, ik en onze chauffeur/kok/gids Placido. Plus nog eens het muzikale gezelschap van Bob Marley, Guns ‘n roses en een kofferbak vol artiesten uit de jaren ’80. De eerste dag reden we uren door het water om te belanden in de zoutvlakte waar iedereen het altijd over heeft: Salar de Uyuni. Het is een zoutbodem met een flinke laag water waarin je de perfecte weerspiegeling ziet van de wolken, de bergen in de verte, en jezelf. Later in de tour volgden nog een treinkerkhof, een meer met flamingo’s, een groen meer dat wederom perfect de omringende bergen weerspiegelt, een Dali-woestijn, rotsen in de vorm van bijvoorbeeld een boom, steppes, stomende geysers, borrelende sulfaatbronnen, een rood meer met ook flamingo’s, vulkanen en een heerlijk warme natuurlijke bron om in te zwemmen.

 

Perfecte stilte wisselde zich af met gezellige lunchbijeenkomsten waar we andere tourgroepjes troffen. Massatoerisme is in het geheel zo gek nog niet, dacht ik regelmatig. Ook nu werden we niet weerhouden van deelname aan lokale tradities; de tweede tourdag bleek weer een soort feestdag te zijn, met volop offeringen aan pachamama in de vroege morgen. Direct na het ontbijt werden de autos versierd met slingers en confetti, iedereen kreeg van de vrouw des huizes persoonlijk wat confetti op het hoofd, er werd een vuurpijltje afgestoken, en al het geofferde bier en wijn moest op. Vooral onze Placido nam deze taak erg serieus, wat mij lichtelijk zorgen baarde met betrekking tot zijn plaats achter het stuur de komende dag…

Voorlopig blijf ik nog even in Bolivia om zoveel mogelijk dromen waar te maken!

(En weer eens wat foto’s te uploaden…)