Peru: Just a brick in the wall

Stel je voor: een stad  aan de kust, het strand totaal verlaten, stoffige wegen met riksja’s en taxi’s, oftewel bejaarde Toyotaatjes, en hier en daar een nog veel meer bejaarde Chevrolet uit de jaren ’70 of omstreeks (enorm zijn die dingen). Er lopen overal honden. De meeste huizen zijn verwoest, anderen staan nog maar half overeind, er zijn veel tijdelijke bouwsels zoals houten hutjes, tenten en constructies van zeildoek.  Sommige mensen hebben een klein kraampje op straat, vlak voor hun woning, waarin ze snoep, vruchtensap of hamburgers verkopen. Deze stad, Pisco, werd in augustus 2007 geteisterd door een 2 minuten durende aardbeving. Die kostte 600 mensen het leven en een veel groter aantal hun huis. Behalve in de eerste maand na de ramp heeft de overheid van Peru geen hulp of compensatie geboden.

Hier heb ik de afgelopen twee dagen de pikhouweel, schep, kruiwagen en slash hammer (wat is dat in het Nederlands?) gehanteerd. En morgen de drillboor! Jeeeej! Dit in het kader van Hands On – Disaster Relief, bekend van opruimwerkzaamheden na de Tsunami in Thailand, orkaan Katrina in New Orleans en andere rampen. Deze supertoffe organisatie heeft hier direct na de ramp een heel kamp opgezet waar we momenteel met 106 vrijwilligers wonen. Tot eergisteren was iedereen welkom om te komen helpen met puinruimen (Centro Rumble & Playa Rumble), noodvoorzieningen bouwen voor de kerk, een nieuwe school en gemeenschappelijk sanitair in de buitenwijken (Shitters & Showers). Ik heb er eventjes van kunnen proeven en de goede sfeer in het kamp kunnen ervaren, maar helaas komt er voor iedereen voortijdig een einde aan het project. Het probleem is namelijk – hoe kan het ook anders in Peru – veiligheid. Verschillende keren zijn er vrijwilligers beroofd en bedreigd, zodat we niet meer alleen over straat kunnen en het strand is sindsdien verboden gebied voor ons. De oprichter, David Campbell uit de VS, is speciaal overgekomen om de situatie te bekijken en te bespreken en atoen is beslotaen om het project te beeindigen, twee weken voor het geplande einde. Ik had ook graag langer gebleven om het bikkelharde, smerige werk te doen, Inca Kola en spaghetti en taart van de locals te ontvangen en me te vermaken met de andere vrijwilligers, maar helaas… Niettemin hebben we morgen een galadiner in het enige overgebleven high class restaurant in de stad, waar we vast meer spaghetti gaan nuttigen, evenals ijscoupes en de enige echte cocktail van Peru: in dit geval zeer toepasselijk de Pisco sour geheten.

Dus, maandag gaat de reis verder naar Arequipa en Cuzco, de toeristische zwaartepunten van Peru. Ondertussen ga ik even rondsurfen op www.southamericanexplorer.org om te zien of ik mijn vrijwilligers-werkdrang nog ergens anders kwijt kan…

Voordat ik het vergeet: als je in plaats van Google voortaan Aidgle gebruikt, wordt er bij iedere zoekopdracht een klein bedrag gedoneerd aan Hands On, wat geweldig is omdat deze organisatie aanwezig is in rampgebieden overal ter wereld. Ze werkt efficient en met minimale kosten: er zijn alleen gratis vrijwilligers die zelf ter plaatse komen en men bepaalt samen met de locals waaraan de projecten precies gewijd worden.

!! UPDATE !!

Hoewel de organisatie niet meer in Pisco werkt, zijn we met een groep van ongeveer 15 mensen naar een stadje verderop, Chincha, gegaan. Hier herconstrueren we nu noodklaslokalen van bamboe en hout. Dit project kan voorlopig wel doorgaan, en wordt gefinancieerd door Unicef. Het is gelukkig iets minder zwaar werk dan stenen verplaatsen en muren in elkaar slaan, en superleuk met elke avond een kampvuur, echt het scoutinggevoel! Maar… deze maandag vertrek ik weer naar Lima voor een bezoekje aan NAPA, oftwel het Peruaanse Jeugdjournaal (en mochten jullie nu denken: Jackie zit bepaald niet stil, nee inderdaad, haha). Chau chau!

Ecuador: Ingeburgerd

Ik heb zojuist het gebouw van Fundacion Don Bosco verlaten, voor de allerlaatste keer. Het was best moeilijk om me daar los te wrikken: zelfs meisjes die ik vandaag voor het eerst zag riepen “no te vas, no te vas!” en gaven me tekeningen en zware omhelzingen. Uiteindelijk heb ik er meer dan 5 weken met plezier gewerkt, om verschillende redenen.

De eerste reden is waarschijnlijk dat er twee Italianen zijn komen werken waarmee in het wel goed kon vinden (nou ja, met eentje in het bijzonder). Sindsdien zijn er vele pasta’s, vino’s en caffe’s in mijn maag beland en heb ik honderden Italiaanse liedjes moeten aanhoren die Andrea en Nicola ten gehore brengen met de gitaar. In de weekenden heb ik al minstens 20 andere Italianen ontmoet, in het eenvoudige bergdorpje Salinas de Guaranda en in Quito. In Italië heeft men de keuze tussen een militaire dienstplicht en een sociale dienstplicht van een jaar, en die laatste volbrengen er een flink aantal in Ecuador. Aangezien een jaar lang hier werken mij toch wel wat veel van het goede is, ga ik morgen weer ‘op reis’ samen met mede-ex-vrijwilliger Shannon uit de VS. We gaan opnieuw naar El Oriente, eigenlijk hetzelfde verhaal als hiervoor nog een keer meemaken. Hoewel het mij niks zal verbazen als het nu weer anders is, misschien zijn er dit keer wel piranhas, apen en tarantulas?

De andere reden dat ik iets langer ben gebleven is mijn inburgering, zogezegd. Die ben ik eigenlijk pas ondergaan toen ik alleen achterbleef bij mijn familie, bestaande uit Carlos en Piedad en hun dochter Aracelly (nog twee zoons studeren en werken in Quito). Dankzij hen ratel ik nu de ganse dag Spaans, behoorlijk gebroken Spaans, maar iedereen begrijpt me gelukkig. Ook op de Fundación ben ik verder ingeburgerd, dankzij mijn verbeterde taalniveau. In het begin verstond ik bar weinig en was het alleen maar knikken, lief lachen en volgen wat ik deed. Het werd zo steeds leuker om met de kids om te gaan, en het huiswerk helpen maken werd een eitje.

Ik ben meer gaan praten met de andere medewerkers waaronder Angelica, de vrouw die ons erop wees dat José zich niet netjes gedraagt met de meisjes. Ze vertelde me nu dat er erg ‘lelijke’ dingen gebeuren en dat niemand iets durft te doen. Er zijn zelfs ouders die hun dochters niet naar de Fundacion sturen vanwege José, die er overigens al 9 (!) jaar werkt. Met behulp van mijn nieuwe vrienden heb ik toen 2 posters gemaakt en een presentatie gehouden over het thema ‘fysiek contact’. Om de kids iets beter te leren onderscheiden welke typen contact wel acceptabel zijn en welke niet. En wat je moet doen wanneer je je ongemakkelijk voelt bij het contact dat een volwassene zoekt en uiteraard wanneer je mishandeld, misbruikt of wat dan ook wordt. Het allermooiste van alles was dat de kinderen het thema heel goed begrepen en met allerlei suggesties kwamen (bijvoorbeeld praten met God, of met de pastoor). En, ik was met stomheid geslagen toen ook La Madre, die voorheen haar mond had gehouden en ons maar net aan toestemming had gegeven om dit projectje te doen, ging participeren. Ze vertelde nog eens extra hoe belangrijk het is om te praten over je problemen of twijfels met mensen die je vertrouwd. Ze was na afloop helemaal vol lof over ons en ze leek erg opgelucht. Dus ik geloof dat we wel iets kleins bereikt hebben: een klein stukje meer openheid. En José? Die was ook aanwezig, zat stil in een hoekje te wachten tot hij weer op z´n valse gitaar mocht spelen zoals hij elke middag op een vast tijdstip doet met de kinderen.

Wat heb ik nog meer over Ecuador geleerd tijdens mijn inburgering?

- Je moet mensen bij een eerste ontmoeting altijd een kus op de linkerwang geven, ook al weet je dat je de persoon nooit meer zal zien. Je hoeft dan niet je naam te zeggen.

- Er zijn veel rare vruchten zoals de taxo, de guanabana, de tomate de árbol. Ik houd wel van de maracuja, een soort van grote passievrucht. De absolute topper is overigens de guaba: stel je een levensgrote snijboon voor met aan de binnenkant een soort eetbaar suikerspin-materiaal en grote oneetbare pitten waarvan men later sieraden maakt.

- Auto’s hier geven nooit voorrang aan voetgangers. De straat oversteken duurt daarom erg lang en is erg slecht voor je gezondheid ivm de uitlaatgassen.

- In Ambato hebben mensen aan de ene kant wel geld, aan de andere kant niet. Ze hebben bijvoorbeeld een auto en een ‘celular’ (mobiele telefoon) maar gaan iedere zaterdag de stad in om snoepjes te verkopen want anders komen ze niet rond. Wie dit snapt mag het zeggen…

- Het verkopen van snoep, ijs of andere spullen en is de manier om niet te hoeven bedelen voor een grote groep mensen. Er wordt ook flink gebruik gemaakt van deze diensten.

- Tijdens de weekenden heb ik redelijk wat salsa gedanst voor zover dat gaat, want in Quito bijvoorbeeld is het uitgaansleven enorm. Als dat niet het geval is, zoals hier in Ambato, is er slechts reggeaton te horen én electronische poephouse deuntjes van de meest foute soort.

- Zodra mensen iets uit de grond van hun hart zeggen, betrekken ze God erbij, dat is even wennen maar ook leuk. Mijn cheffin Marthita zei me bijvoorbeeld dat God mij had gestuurd om haar te helpen een klusje op tijd af te ronden.

- Ook de meerderheid van de bussen en vrachtwagens wordt door God of Jezus geleidt, aldus de stickers. Toch word ik nog steeds misselijk.

- Het is heel normaal om een paar uurtjes in de bus te zitten en te belanden in een plaats die tot wel 2000 meter lager of 1000 meter hoger ligt.Ik heb me tijdens weekendtripjes vaak duizelig, moe en zwaar emotioneel gevoeld: verschijnselen van hoogteziekte.

Ecuador: La fundación

Fundación Don Bosco, zo heet onze werkplek. Het is een tehuis waar dagelijks 150 kinderen komen lunchen (een almuerzo oftewel lunch bestaat uit soep, rijst, kip/vis en groente/salade). De kids zijn tussen de 6 en 16 jaar en zijn schoolkinderen of werken in de stad als schoenpoetsertjes. Buiten de lunchtijden om blijven er een hoop om huiswerk te maken. Ambato, deze stad, is niet superarmoedig, niemand leeft bijvoorbeeld op straat, maar voor normale families is het heel moeilijk rondkomen. Zowel vader als moeder werken in de stad, en als ze buiten de stad wonen droppen ze soms hun kids in Ambato om als straatverkoper of schoenpoetser te werken. Deze worden veelal opgevangen in een van de centra van Don Bosco. Op de fundacion komen ook veel kids die thuis moeilijkheden hebben, mishandeld worden of te weinig aandacht krijgen omdat hun ouders zoveel werken en ze door grootouders of ooms en tantes worden opgevoed.

Wij helpen met het huiswerk maken, samen met nog een aantal Ecuadoriaanse medewerkers. Het valt niet mee, overschrijven kunnen ze als de beste maar zelf nadenken, oef… Ook klusjes als tekenen en kleuren vragen ze aan ons. Van Engels hebben ze geen van allen, ook de docenten, kaas gegeten dus daarbij kunnen we ze wel wat leren. Echter wij vrijwilligers moeten onderling ook Spaans spreken dus de kids kunnen ook maar weinig Engelse uitspraak etcetera horen. Jammer vind ik dat. Wel weer goed voor ons Spaans uiteraard. Dan kom ik gelijk op een heikel punt. Het lijkt er namelijk op dat het werk voor mensen zoals Noortje en ik, die slechts 1 maand blijven, meer bezigheidstherapie is voor onszelf. Op de fundacion worden we een beetje aan ons lot overgelaten onder het motto: kijk maar waar je kunt helpen, eigen projecten of ideëen worden niet aangemoedigd. We hebben wel  posters gemaakt met Winnie the Pooh met daarbij een klein verhaaltje: “Hello, how are you. I am fine. Today is my birthday, will you come to my party? Yes, of course!” Enzovoort. Er werken nog wat meiden van ongeveer 18 en die blijven hier een jaar, ze helpen gewoon mee zoals alle andere medewerkers doen. Eerlijk gezegd is dat best saai. Wij stellen onszelf voortdurend vragen, eigenlijk kunnen we de verschillen maar moeilijk accepteren, met een klein beetje inspanning zouden de kinderen efficiënter huiswerk kunnen maken en ook nog tijd over houden om te spelen (bijvoorbeeld met de spelletjes die wij hebben meegebracht, die nu in de la van La Madre – de hoofdnon- liggen).

Een ander vraagstuk waar we vorige week enorm mee zaten is het fysieke contact dat een begeleider met vrijwel alle meisjes zoekt. Zij zijn tussen de 6 en 16 jaar oud en hangen voortdurend om zijn nek, ze moeten op zijn schoot zitten en hij vraagt om kusjes op zijn wangen, de hele dag door. Wij worden er misselijk van en hebben veel anderen gevraagd wat ze ervan vinden. De reacties lopen uiteen van: ¨het is absoluut niet normaal¨ tot ¨ach ja, deze kinderen komen thuis zoveel liefde tekort…¨ We weten inmiddels ook dat La Madre ervan weet (we zijn er nog niet achter of er echt sprake is van seksueel misbruik) maar hem de hand boven het hoofd houdt. Mogelijk omdat anders de fundación misschien gesloten zou worden.  We hebben de organisatie die bemiddelt tussen de fundación en de vrijwilligers benaderd en zij vinden het ook gevaarlijk. Ze gaan zorgen dat er een onafhankelijk onderzoek ingesteld wordt. Zou dat iets opleveren? Twijfels, twijfels.

We  hebben onze twijfels dit weekend een beetje achter ons gelaten door naar el Oriente af te reizen, ofwel de jungle, de Amazone, het regenwoud! Dat was in één woord ge-wel-dig! Ik vertrouw de internetverbinding niet zo enorm, dus ik zal eerst deze blog online gooien voor het misgaat.

Ecuador: Hoofd in de wolken

Daar zit ik dan met mijn hoofd letterlijk in de wolken. Er valt op dit moment regen uit maar eigenlijk valt er geen peil te trekken op het weer hier in de Ecuatoriaanse hooglanden. Zo komt het dat ik ook al verbrand ben, dat het licht feller dan waar ook ter wereld in mijn ogen schijnt en dat het af en toe dondert en bliksemt. Ecuador is tot nu toe iedere dag indrukken opdoen, voornamelijk. Ik heb 1,5 dag in Quito doorgebracht, waar ik meteen volop m´n Spaans kon oefenen met gastmoeder Ana Maria, want zoals de meeste Ecuadorianen (zo heb ik gemerkt) houdt zij nogal van praten.

Behalve van praten, houden ze hier ook van feestdagen en tradities. Zo heb ik op 2 november drie koppen colada morada op, een roodpaarse drank vol met fruit en specerijen die warm gedronken wordt. Dat is verplichting numero uno op Allerheiligen, de dag waarop men de doden herdenkt. In Quito heb ik ook de Halloween meegemaakt, maar dit feest is door de huidige president verboden omdat het te Amerikaans zou zijn. In plaats daarvan viert men de dag van het wapen van Ecuador, lekker nationalistisch dus.

In Ambato, de stad waar ik de rest van de maand woon en “werk” maakte ik kennis met mijn nieuwe gastfamilie en Noortje, een Nederlands meisje dat ook bij deze familie verblijft. Geweldig leuke mensen allemaal, heerlijk (vegetarisch) eten, alles is muy muy bien. Door alle feestdagen ben ik nog maar één dag in het weeshuis geweest waar we samen met de kleinste kinderen zijn gaan knutselen. ‘s Middags gingen er een aantal naar huis voor het weekend. De meeste kids hebben namelijk wel ouders maar niet zulke goede, denk aan mishandelingen enzo… Zodoende scheurden we rond in een bestelbusje met acht jochies, een non achter het stuur en de radio op volume 10, kun je het je voorstellen?

Op dit moment ben ik voor een weekendje “op vakantie” in het toeristische plaatsje Baños. Straks komen er nog meer mensen die we kennen vanuit Quito, waar zij aan een taalschool lessen volgen. We zullen in de natuurlijke warme bronnen gaan zwemmen. Volgens de Vietnamveteraan die we vanmorgen bij het ontbijt tegenkwamen is er vanavond een groot straatfeest, en we kunnen ook nog mountainbiken, raften, paardrijden.

India in a nutshell

Almost six months of traveling are behind me. A journey from Amsterdam to Bangalore, through Sri lanka, India from south to north, Nepal and back.

As for most of you who can’t read Dutch I conclude my travel diary with the highlights of my travels in English.

So where exactly have I been? After the OURmedia conference in ‘traffic city’ Bangalore the trip went to rainy Trivandrum and Kovalam, a paradise-like beach place but so spoiled by package tourism, the vibe was bad. I was happy to fly to Colombo a few days later and headed straight to Hikkaduwa with Tanja, who I had met at the airport. There the beach was nice and the waves were huge, so swimming while keeping the swimwear on was quite a challenge. We also tried the beaches of Unawatuna. Both villages where completely rebuild after the tsunami, contrary to Tangalle where I went later. Not many houses and hotels survived, ruïns along the shore, sad people, sad stories. At the coastal areas of SL you can see many refugee camps: for how long will the people have to live there, I wondered…

I’d spent the Christmas holidays amongst the “happy few” in Colombo, where I joined a dinner with investment bankers, had coffee in the Hilton on Christmas eve, and saw some temples and shopping malls, which is pretty much all Colombo has to offer. I explored the hill regions and celebrated NYE 2005 in the countryside, including a bonfire, with some Dutch, Italians, Sri lankans, Canadians and a Frenchman.

Back in India I’ve rebalanced my body and mind through an ayurvedic treatment in Varkala, and made lots of friends at “doc’s”. We mainly enjoyed sunsets, coconuts and Tibetan food. I visited Amma, a guru known as the hugging mother, and got my hug as well. Then I made my way to the east coast, Chennai. I encountered lots of journalists, traffic, bureaucracy, muslims and the white screen, on which I made my first appearance as a nurse;-) Then again to the beaches of Mamallapuram, Pondicherry and I underwent the Auroville-experiment. In Hampi I saw some impressive ruïns and temples, suited in stonehenge-like landscapes. The bustrip to Goa was one of the worst ever, as I got really sick on the way. In Arambol I recovered, but I was unable to fully enjoy the surreal beach carnival and the illegal parties… However I did some yoga with a 73 year old baba who made us stretch like none of my former Indian yoga teachers did. With João I went for a Rajhastan tour full speed ahead starting in Udaipur (the white city), with a lake and a huge city palace. Next was Jodhpur (the blue city) with again an impressive fort and palace. Then on to Jaipur (the pink city) where the palace wasn’t so cool, neither the city. Jaisalmer (the golden city, or actually sand-colored) was a fort itself with again a palace, but we came to go on a camel trip. It was one of the biggest highlights for me: feeling like a nomade, sleeping under the stars, trying to speed up the camels and guides who thought us some “interesting” rajhastani words! We went on to Rishikesh for some more yoga, playbacking gurus, a dip in the Ganga river, rafting and unfortunately another doctors visit for me.

Sahara Air flew us into Kathmandu, and already the next morning we were on a bus to the Annapurna region: officially the world’s most beautiful trekking area. On the Poon hill trek we encountered a.o. rainforests, waterfalls, snowpeaks, cornfields, chickens, mules, butterflies, lots of kids, lots of Koreans, buffalos (no yaks at this altitude level), rhodondendrons, dal bhat, hot springs and the amazing Himalayas were there all the time. It was wonderful, deep, high, low, fun, beautiful, serious, emotional, everything!

Back in Kathmandu, reality put my feet back on the ground again. Due to King Gyanendras unreasonability people went on strike, this time longer than usual. This made the King impose curfews. No one was allowed on the streets, although there were demonstrations and violence was increasingly used by armed police forces. I joined a peaceful demonstration, but even tourists had to be careful, sadly some have been arrested. However I’ve been able to see some religious ceremonies (that required buffs with their heads chopped off), and some interesting temples, holy places and a monastry in the Kathmandu valley. I also had time to learn about Tibetan buddhism, shop for souvenirs and decorate one of my feet with a tattoo.

I did a flash visit to Delhi, the giant that offers you only its pollution with physical side-effects for free. My last destination was Kanda, a rural village in Uttaranchals Kumaon hills. Here I was staying at the Verma family as an ecotourist/volunteer for one month. Because of a lack of funding there were no particular projects to work on as a volunteer (they have done many of these in the past, check www.rosekanda.info). Instead I occupied myself with merging into this Indian family and helping with organic farming, cooking, washing and I attended some religious ceremonies, weddings (it was the wedding season), made a trip to beautiful hill station Kausani, created some handmade, recycled paper and helped to improve ROSE’s (ROSE is the organisation) international network in order to receive more volunteers and funding in the future. It was sad to leave the family behind: Jeevan, the head of the family from who I learned so much about Indian politics, rural life and these people’s community; daughter Renu, who will be married against her will by July but wants me to come to her wedding anyway; ever hard-working mother Hema, just as Gunja, Jitendra, Chanda, Sagu, Ruthie and last but not least the two other volunteers I’d met during my last days here, Carlin and Kelly.

As a very brief conclusion, what can I say, as you all may agree India is such a diverse country. Somewhere halfway my trip I said: in this country you will not find what you’re looking for, but it gives you what you need. Now, I don’t know why I it was necassary for me to become ill four times, but I do know that I gained some peace of mind: so important in the West! Furthermore I practiced my patience, I can eat with my hands, make chapati’s, I know how a moviestar must feel when walking the streets, I can squat and remain seated that way, I confirmed that I will never understand Hinduism, I fell in love with Nepal, I see the point in the teachings of many gurus, I became a vegetarian because of the good food… India has so much to offer. Not only pleasant things, but as long as you like to meet the challenge it will only make you stronger, so I found. There are many places left that I would like to visit in this country, especially in the North. But, the world isn’t always a small world, there is so much more out there yet to be discovered by me…so next time, next decade probably ;-(

In the meantime I will try to make the world a small world by using and studying media, the web and its applications, and giving some support to minorities or individuals in developing countries.

Bij ons in ’t deurp

De tijd gaat erg snel; mijn tijd op het Indiase platteland zit er over een weekje alweer op. Platteland is trouwens niet het goede woord, heuvelachtig is beter: overal om ons heen terrasvormige velden waar ‘we’ in mijn eerste week het koren vanaf geoogst hebben en nu wordt er rijst op geplant. Op sommige plaatsen groeit het al, in de meest felle kleur groen die er bestaat!

Ik ben nu op een daytripje naar Kausani, een hillstation 3,5 uur verderop. Mahatma Gandhi heeft er eens vakantie gevierd en was dolenthousiast; het Zwitserland van Azie noemde hij het. Vanaf de meeste heuveltoppen hier kun je de besneeuwde Himalayas zien, erg gek om te bedenken dat het dezelfde zijn als die ik in Nepal van dichtbij zag.

Het verblijf bij de familie Verma is wel anders dan ik had verwacht (het is altijd fout om verwachtingen te hebben in India, dat zou ik inmiddels geleerd moeten hebben). Door dat er geen financiering beschikbaar is op het moment kunnen er geen projecten uitgevoerd worden. Projecten zoals huizen en toiletten bouwen voor mensen in het dorp die nog zonder moeten doen, watertanks aanleggen, het schooltje dat de familie een tijdlang zelf runde maar door geldgebrek moest stoppen. Nu fungeert de ‘boerderij’ dus als een soort guesthouse voor mensen die de off the beaten track experience zoeken. En dat is het ook zeker! De familie zelf is de hele dag druk met het bewerken van het land, het is echt organic farming wat ze doen: er worden geen pesticiden gebruikt, geen machines, alles wordt met de hand gedaan door de vrouwen. Die lopen dan ook dagelijks op en neer met manden op hun hoofd vol hooi, graan of mest (afkomstig van de ossen en buffels die ook weer voor melk zorgen). Er is een eigen tuin met allerlei groenten, en veel bloemen. Als gast heb je geen andere keus dan helemaal een worden met de familie, en dat lukt aardig. Ik help mee met koken, kan nu ook de was doen op de grond met een blok zeep en emmers water, en ‘s avonds kijken we (als er stroom is) met de meiden “Kasamh se”, de favoriete soapserie van dochter Ranu. De andere familieleden zijn Jeevan (vader), Hema (moeder), Gunja (dochter, 19), Sagu en Jitendra (zoons, 12 en 27), Chanda (vrouw van Jitendra, 18) en Ruthie (kleindochter 9). Nog twee andere dochters zijn al getrouwd en dat betekent dat ze bij hun echtgenoot z’n familie wonen en daar zo ongeveer al het huishoudelijke werk doen. Dat is het leven. De mannen hebben meestal een baantje in een winkel ofzo of in de mijnen. Jeevan bezit ook wat land waar zeepsteen in de grond zit, dus sinds een jaar verdient hij wat bij door de mijnactiviteiten aldaar. Het is elke dag een komen en gaan in het huis, veel buurtbewoners komen theedrinken, krijgen een ontbijt voorgeschoteld etc. De familie is supergastvrij en probeert ook nu zoveel mogelijk mensen te helpen. Bijvoorbeeld een vrouwtje uit de buurt, Tara, zij kan niet praten. Haar man heeft haar verlaten en het is voor haar erg moeilijk om (financieel) haar twee zoons te onderhouden. Ze helpt mee op het land, en krijgt elke dag ontbijt en een deel van de oogst. Ook heeft Jeevan in het verleden met andere vrijwilligers een huisje voor haar gebouwd.

Het is ook een erg relaxte periode, voor mij tevens noodgedwongen omdat ik weer eens ziek ben geweest (jawel weer diarree): ongeveer een week lang was ik uitgeschakeld. Het plan was dat ik me nuttig zou maken door wat persberichten en brieven te schrijven om zo meer volunteers/toeristen naar Kanda te lokken en mogelijk financiering te verkrijgen. Echter, doordat de bliksemgetroffen computer tot voor kort in de maak was kwam daar nix van in. Daar kwam nog eens bij dat er nog drie andere volunteers zouden komen maar allen voorlopig nog niet kunnen komen doordat ze ziek zijn geworden. Kortom, het lot was zowel mij als de familie niet erg gunstig gezind. Toch heb ik een bijzondere tijd: het eten is geweldig, ik heb 2x ge-weddingcrasht (een glimp opvangen van de urenlange ceremonies, op de foto met de bruid op verzoek van haar familie, eten en wegwezen) en de omgeving erg rustig en inspirerend. Meestal begint de dag bloedheet, na de lunch gaat iedereen even rusten en dan begint het te waaien, te onweren en de hele avond blijft het bliksemflitsen…erg bijzonder.

Na terugkomst van mijn tripje kwamen er echter een jongen en een meisje uit de USA aan, een welkome afwisseling. We bezochten een van de locale scholen en konden zien hoe het lesgeven eraan toegaat. Erg boeiend!! Verder hebben we nog papier gerecycled en kuikentjes gekocht (waarvan er eentje direct al door een van de honden is doodgebeten, wheeeehhh! Ook kwam er een familie op bezoek waarvan de zoon zal gaan trouwen met Ranu, de oudste dochter. Besproken werden de familieachtergronden, baan, opleiding, tijd en uitvoering van het huwelijk. De jongen zelf was er niet bij en ook aan Ranu werd nix gevraagd; of de twee elkaar wel liggen is pas later aan de orde. Ranu heeft helemaal geen zin om te trouwen, zegt ze me keer op keer: oh no jackie, i’m going married!!

Ik ga er even vanuit dat dit mijn laatste berichtje is, ik zit inmiddels te zweten in Delhi. Maar ik mag niet klagen: het is maar 39 graden want het heeft pas nog geregend;-) Mijn sikh (hij heeft mogelijk het langste haar van de wereld) hotelmanager “Sunny” kende me nog van de vorige keer en dus morgen gaan we op sightseeing/shopping tour. 23 mei (dinsdag?) vlieg ik terug en ik hoop ergens in de avond aan te komen in ‘Hollende’! Ik kijk er zeker naar uit!