Paraguay: Welcome on board

Laat in de middag stapte ik de loopplank van de Guaraní op met in mijn tas wat kleren, een hangmat en eten voor een dag.

Ik passeerde de ronkende en stinkende motor op het onderdek, toen het personeel dat me van alle kanten aan leek te staren, ging de trap op naar het bovendek, en… zuchtte van verlichting. Er woei een koel briesje, er waren houten banken waarop ik een aardig Frans stel aantrof en er was een Canadees bezig zijn hangmat op te hangen. Wij vieren zouden de enige gasten zijn op deze vrachtboot tijdens de trip naar Concepcion.

De coördinator van de boot, denk ik (het was ons in het geheel niet duidelijk wie er nou de kapitein was, wie de stuurman en wie ‘in charge’ ), zei ons dat we op het dak het beste uitzicht hadden. En dus klommen we daarop om een van de beste zonsondergangen van mijn leven te zien. De rest van de trip bestond vooral uit hangmat-hangen, lezen, zonsop- en ondergangen zien en af en toe een hapje eten in de keuken. Gelukkig werd er voor het personeel en voor ons, indien gewenst, eten geserveerd. De tocht over de Río Paraná duurde namelijk 48 uur in plaats van 24 uur zoals mij was verteld.

De Canadees had informatie verkregen waarin stond dat de tocht drie dagen zou duren, en de Lonely Planet zegt 30 uur. Ach. Na twee nachtjes slecht slapen vanwege de stinkende en ronkende motor, de wiebelende hangmat en de muggen vond ik het stiekem wel fijn weer aan land te gaan.

De hoofdstraat in het stadje Concepción leek op zondag wel een motorcircuit. Werkelijk iedere motor of scooterbezitter, en dat zijn er nogal wat, reed heen en weer, voornamelijk om te zien en gezien te worden. We zagen jongeren al kletsend naast elkaar rijden op scooters, voorzien van mobiele telefoons en grote zonnebrillen, maar ook gezinnetjes met z’n driëen op een voertuig, wederom voorzien van mobiele telefoons en grote zonnebrillen. Verder waren en hummers en andere enorme wagens. Bij zeker de helft zag ik geen nummerplaat.

De volgende dag, maandag, leken we ons in een heel andere stad te bevinden. De stad was de rust zelve en de hoofdstraat werd voornamelijk bereden door paard-en-wagens, fietsen en voetgangers. De paardenkarren transporteerden de vracht die van en naar de Guaraní werd gebracht. Het laden en lossen in de vroege ochtendhitte was voor iemand uit een moderne samenleving zoals ik, een geweldig tafereel. Jongens rolden loodzware tonnen over de supersmalle loopplank, anderen sjouwden met kisten vol tomaten, pakken wc-papier, matrassen… Je kunt het zo gek niet bedenken of het belandde op het dek van de boot waar men alles zo goed en kwaad als het ging vastbond. De eveneens verhitte paarden dronken uit de rivier en kregen tegelijkertijd een wasbeurt.

Diezelfde dag nog liep ik voor de laatste keer in mijn leven over de ongeasfalteerde terracottakleurige straten van dit eigenaardige stadje, richting busstation. De reis zou doorgaan naar Argentinië waar so-called Buenos ‘fucking’ Aires wachtte.