Piece # 19 – Kudelstaartverhaal

Een tijdje geleden werd mij door Coq Scheltens gevraagd een “verhaal” te schrijven over Kudelstaart, dat zou komen te verschijnen in het boek Grote Verhalen. Er staan meer dan 50 verhalen in van bekende en minder bekende Aalsmeerders en Kudelstaarters. Het is me een grote eer er ook bij te horen. Inmiddels is het boek verschenen en naar ik begrepen heb uitverkocht. Ik heb besloten het ook hier te plaatsen want het is een treffend verhaaltje geworden over mijn dorp en mijn afkomst.

Zijn wie je bent, waar je ook gaat

Het is een warme dinsdagmiddag in juli en de luchthaven van Rome wordt overspoeld door reizigers. Ik zie veel families en jonge stellen van de roltrap komen. Vrijwel allen lopen direct naar de dichtstbijzijnde kiosk voor een flesje water of frisdrank. De zon schijnt op dit uur fel door de zijramen van de krappe vertrekhal. Wat zijn er hier weinig zitplaatsen voor een internationale luchthaven, realiseer ik me. Ik heb er desondanks één kunnen vinden en voorlopig zal ik nog wel even blijven zitten, omringd door 35 kilo aan meegebrachte bagage, want mijn vlucht naar Buenos Aires vertrekt pas over vier uur.

24 Jaar geleden werd ik geboren in Kudelstaart. De Herenweg was mijn veilige thuishaven, een mooie plek waar ik mijn ouders en mijn oma – allen geboren en getogen Kudelstaarters – altijd om me heen heb gehad. Ze wisten mijn vriendinnetjes altijd feilloos te identificeren als ‘die van de slager’ en ‘die uit de nieuwbouw’ en ‘die van Zwarthoed’. Niet al die meiden durfden in de poel te zwemmen, dat vond ik wel wat raar. Maar zij vonden mij vast ook raar want ik vroeg hen niet elke middag “bij jou of bij mij?” maar ging vaak alleen naar huis om daar wat aan te modderen met de spulletjes op mijn kamer. De nabije nieuwbouwwijken waren voor mij van jongs af aan een ander soort gebied dat ik langzaamaan leerde kennen via mijn vriendinnen en klasgenoten. Ik kon er mijn vinger nooit op leggen maar had altijd het gevoel dat de mensen daar andere gewoontes en gebruiken hadden dan wij. Ze aten bijvoorbeeld iedere woensdag spaghetti en iedere zondag patat, de kinderen zwierven in grote groepen van speeltuintje naar speeltuintje en er moest tijdens het spelen altijd iemand de baas zijn. Het moest wel aan mij liggen, maar ik begreep er soms weinig van. Om over buitenlanders nog maar te zwijgen. Mijn oma en buurvrouw had een bed & breakfast en altijd wanneer er Franse of Duitse gasten bij haar verbleven om de bloemenveiling en Amsterdam te bezichtigen durfde ik me niet op haar kant van het erf te wagen. Stel je toch eens voor dat die mensen iets onverstaanbaars tegen me zouden zeggen!

Later, tijdens onze middelbare schooltijd, drong het tot mij en mijn vriendinnen door dat we echt in een klein dorp woonden en dat het dientengevolge moest worden afgekraakt. Want, behalve een supermarkt, een bakker en een slager was er niks en dat was natuurlijk niet cool. Kudelstaart was in onze ogen een gat, niet meer dan een lullig aanhangsel van Aalsmeer (wat tenminste nog de TV studio had en waar je soms de ‘sterren’ uit Goede Tijden Slechte Tijden zomaar tegenkwam op straat). Om ons een houding te geven noemden we het dorp soms Kudelcity, met als achterliggende gedachte: wij kunnen het ook niet helpen, onze ouders moesten er zo nodig gaan wonen. Wij zouden later vast en zeker naar Amsterdam gaan, wat onherroepelijk de ‘vetste’ stad van het land moest zijn. Het kwam niet in me op om iets te vertellen over hoe mooi landelijk de Herenweg erbij lag, over het wel en wee van de kudde schapen in de voortuin, over de lange zomerdagen aan het water en op onze boot, het soms adembenemende avondrood, het schaatsen als we weer eens een gelukswinter hadden. Nee, de prioriteiten in het leven waren winkelen, make-up, films, uitgaan en hoezeer we na onze diploma-uitreiking wel niet onze vleugels zouden gaan uitslaan.

Ik ging inderdaad naar Amsterdam en mijn droom werd al snel werkelijkheid. Het was inderdaad een geweldige stad, en wat was er veel te doen! Een strakke planning was nodig om de studie op de rails te houden, genoeg bij te verdienen en alle feesten en culturele evenementen af te lopen. Toen op een bepaald moment de financiën het toe lieten, besefte ik dat het tijd werd om mijn andere droom te verwerkelijken. De droom die er al veel langer was dan de wens om mijn heil in Amsterdam te zoeken. Ik was klaar om mijn horizon te verbreden, dacht: kom maar op met die armoede, die straatkinderen, die cultuurshok, want die zal lang op zich laten wachten als je wéér met de bus naar de Spaanse costa’s gaat.

Na een half jaar in India en Nepal, waar ik mijn horizon als een stuk kauwgom heb zien uitrekken in alle mogelijke richtingen, besloot ik in Den Haag te gaan wonen -misschien wel om te testen hoe weinig honkvast ik eigenlijk ben- en zo snel mogelijk een Mastertitel te halen. Dat verliep volgens plan en al snel was ik klaar voor een nieuwe reis dwars door Zuid-Amerika. Mijn vrienden zagen me inmiddels als avonturierster, als rugzaktoerist, als Floortje Dessing zonder cameraploeg. Ik heb ze niet hoeven uitleggen dat voor mij reizen één van de meest waardevolle dingen is die er zijn. De ervaringen van het zien, proeven, ruiken en ondernemen van nieuwe dingen, mensen ontmoeten, en ook het op jezelf aangewezen zijn, zijn me veel meer waard dan een auto, de nieuwste Apple computer of een compleet ingericht huis. Het is een ongelofelijke luxe de tijd te kunnen nemen om een land en de cultuur een beetje te leren kennen. Maar ben ik gaan beseffen dat er een enorm verschil is tussen reizen (wat vaak wel veel weg heeft van vakantie vieren) en ergens anders zijn. Zijn wie je bent maar dan op een andere plek. Ik geloof dat het mij uiteindelijk daarom gaat.

Terug uit Zuid-Amerika merkte ik tot mijn verbazing dat dat dus ook in een gat als Kudelstaart prima kan. Ik was weer even thuis, na zes jaar afwezigheid, en vond direct een nieuwe balans. Klaarblijkelijk had ik de stad, en evenmin al die verre oorden, helemaal niet zo hard nodig als ik altijd had gedacht. Hoe geinig! Ik zat weer als vanouds iedere ochtend in bus 172, ging naar Bandjesavond, kwam oude bekenden tegen op de braderie, zag de nieuwste aanwinsten in de vorm van huizen in hippe jaren dertig-stijl en hoorde over het wel en wee van vrienden en kennissen die nooit weggegaan bleken te zijn. Regelmatig fietste ik naar huis, uitkijkend over de goeie ouwe poel, met daarboven het avondrood dat me nog steeds de adem benam, me realiserend dat Kudelstaart niet in zijn ware aard veranderd was, maar ik wel. Ik begon met hardlopen langs de Herenweg en de Ambachtsheerweg, waar in het voorjaar de berm overspoeld lijkt met klaprozen, variërend van bloedrood tot zalmroze, en paardenbloemen met hun vederlichte pluisjesbol en al die andere soorten waarvan ik eigenlijk de namen hoor te weten. Ik wist: dit alles zou ik wel eens kunnen gaan missen bij mijn volgende reis, een enkele reis dit keer. En de lijst werd elke dag langer: de frisse lucht, de vliegtuigen en hun onmiskenbare strepen tegen het blauw, de toeristenboten bij de loswal, pootjebaden op ons krakkemikkige stijgertje aan het water, de muggenzwermen die je zomers het fietsen bijna onmogelijk maken. Het steeds veranderende winkelcentrum, de kerk die allang mijn kerk niet meer is, vrienden van mijn ouders die regelmatig even aanwippen en het dorpscafé dat er na zoveel tijd nog stééds niet is. Ja, ik weet het zeker, ik mis het nu al.