Piece #50 – No hablamos español

Spaans spreken is één ding. Spaans verstaan, begrijpen en spreken in Buenos Aires is een ander verhaal. Ik zal een paar van de geheimpjes uit de doeken doen van onze taal, misschien wel het meest opvallende, rijke en tegelijkertijd onverklaarbare segment binnen de Argentijnse cultuur.

Om je te kunnen oriënteren, ongeacht of je wel wat Spaans spreekt of niet, dien je rekening houden met de ongewone uitspraak, deze herken je direct aan de harde “ssh” die te horen is bij elke “ll” en “y” (en daar zijn er heel veel van). Voorbeeldje: “Yo me llamo” (Ik heet …) klinkt in andere spaansprekende landen ongeveer als: “jo mè jámo”. In Buenos Aires is het: “Ssho mè sshámo”. Hoe komt dit? De meestgehoorde verklaring is dat de Italiaanse immigranten die begin vorige eeuw in grote aantallen naar Buenos Aires kwamen, met name de uitspraak sterk hebben beïnvloed. En dat dit mengelmoesje langzaamaan gemeengoed is geworden onder de porteños. In de rest van het land zijn verschillende accenten met ieder zijn eigen karakteristieken te horen. Grammaticale verschillen met het Spaans uit Spanje en Latijns-Amerika zijn er ook, en die gelden dan weer in heel Argentinië.

En dan het lunfardo, de lokale slang die al zo lang voortwoekert onder de porteños dat zelfs de opaatjes en omaatjes het vloeiend spreken. Het is een hoofdstuk apart waar echt lol bij komt kijken. De porteños zijn bijvoorbeeld keien in het verzinnen van nieuwe woorden, de één nog lelijker dan de ander. In de categorie lelijk zijn daar bijvoorbeeld: bárbaro (barbaars, betekent goed/OK), chabón (dude), pibe (kind, puber), cheta (kakker), zarpado (overdreven) mina (vrouw, meisje), orto (kont). Het is essentieel hier notie van te hebben want de gesprekken zijn doorspekt met deze woorden.

Dan bestaat er nog een zeer ruime voorziening uitdrukkingen die we te danken hebben aan ófwel de levendige voetbalcultuur ófwel de mannelijke schaamstreek. De bal of ballen zijn de favoriete metafoor voor alles wat slecht of hinderlijk is. Bovenaan de lijst staan boludo (vuile idioot/sukkel/dude, afhankelijk van tegen wie je het zegt) en pelotudo (als boludo maar een stapje ernstiger). Verder hoor ik dagelijks onder andere: hinchar la pelota (irritant zijn), dar bola (belangrijk vinden), tener las pelotas llenas (er helemaal genoeg van hebben), hasta las pelotas (vol zitten/het zeer druk hebben), romper las bolas (frustreren) en er bestaan er nog veel en veel meer.

En dan is er nog de overtreffende trap. Om aan te geven of iets niet goed, maar héél goed is, hebben de porteños verschillende voor- en achtervoegsels bedacht. De meestgehoorde is re-. Je kunt het lezen als super, supergoed is rebueno, supergoedkoop is rebarato, superdruk is reocupado, enzovoort. Een andere is -azo. Als je bijvoorbeeld een liedje (tema) heel goed vind, kun je zeggen: “Qué buen tema!” Maar een porteño zal eerder roepen: “Qué temazo!” Het -azo achtervoegsel kan achter bijna elk zelfstandig naamwoord worden geplakt. Wordt er een mooie goal (gol) gescoord dan schreeuwt men: “Qué golazo!” Persoonlijk ben ik fan van het achtervoegsel -ón. Dat kan niet bij alle woorden, een golón bestaat niet, maar bij een goed nummer op de radio kun je wel uit volle borst roepen: “Que temón!”. En zo kun je dus eindeloos blijven variëren.