Piece # 58 – Zandvoort aan zee

Strand van Villa gesell Villa Gesell is in veel opzichten is te vergelijken met Zandvoort. Het exotisme komt je niet bepaald tegemoet, maar ondanks dat staat deze Argentijnse badplaats nu bovenaan mijn lijstje van meest bezochte, eh… bestemmingen buiten Buenos Aires. Alles voorbij dan de suburbs van Buenos Aires noem ik een bestemming, want om ergens te komen dat geen suburb is, reis je al snel een uurtje of vier.

Gesell is zo’n plek: net iets te ver weg voor een weekendverblijf en te gewoontjes voor een hele vakantie, althans voor de heavy duty backpackers die wij denken dat we zijn. Maar kortgeleden stond het vijf dagen durende paasweekend voor de deur. Semana Santa, oftewel Heilige Week, is een week die vooral heilig is om z’n extra vrije dagen, waarop we het wederopstaan van Christus herdenken door een reuze chocoladepaasei te kopen en er vervolgens razendsnel vandoor gaan. Waar dan ook naartoe, als het maar de stad uit is.

Eenmaal aangekomen in Villa Gesell (hier foto’s) concludeerde ik net als tijdens mijn vorige bezoek dat dit een bijna Hollandse bestemming is (er is zelfs een strandtent met de naam De Zeerovers). Hollandse bestemming wil zeggen: kleur zand en zee gelijk aan die van de noordzeestranden, flinke kou in de avonduren en bovenmatig veel wind. Het fijne is dat dit alles voor ons porteños helemaal geen onaangename omstandigheden zijn, zoals dat misschien voor Nederlanders zou gelden die eind augustus nog even de laatste zonnestralen mee hopen te kunnen pikken op een strandbedje. En om nog even niet aan kou en grijze luchten te hoeven denken. Wij, daarentegen, gaan naar de kust om afscheid te nemen van een vier maanden durende zomer met aaneengesloten hittegolven zonder een zuchtje wind (tenzij afkomstig van huis-tuin-en-keuken-ventilatoren). De twee sleutelwoorden zijn: uitwaaien en uitrusten. En asado’s. Immers, niets maakt het vakantiegevoel completer dan je dag organiseren rondom het bereiden van vis, vlees en groenten op de barbecue.

Wat ook een leuk vakantiegevoel geeft is dat het dorpje vrijwel geheel in het bos is, er zijn alleen zandwegen met daarlangs overal bomen waaronder knusse huizen met Duitse uitstraling (het dorp is in de jaren ’30 opgericht door Carlos Gesell, een type van Duitse afkomst die op het idee kwam duizenden bomen te planten in de zandduinen). De hoofdstraat is waar ik op doel in mijn vergelijking met Zandvoort, daar heerst het asfalt, de speelhallen, snackbars, gezellige koffiehuizen en op quads rondrijdende vakantiegangers. De gezellige koffiehuizen doen we sowieso aan, maar de rest niet, dus daarom wilde ik op een extra winderige middag graag het nabijgelegen plaatsje Cariló verkennen. Ik had gehoord dat het redelijk jet set zou zijn, en dat had mijn nieuwsgierigheid gewekt. St. Tropez is tenslotte hyper jet set maar niet onaangenaam, althans zo ervaarde ik de keer dat ik er was. Ik was toen een jaar of negen, trouwens.

Onaagenaam was Cariló niet. ‘Unheimisch’ is eerder van toepassing. Stel je voor dat zo’n vijf kilometer bos is verdeeld in gelijke stukjes, gescheiden door zandwegen. Op ieder van de gelijke stukjes staat een villa. Om er te komen moet je langs een receptie met slagboom. Om de 20 meter staat dan een bordje met dat je geen vuur mag maken, dat er spelende kinderen kunnen oversteken en dat je geen afval mag achterlaten. Dat het bos van iedereen is en daarom respect verdient. Op een gegeven moment staan de zandwegen ineens vol glimmende Audi’s, Chevrolets en semi-jeeps. Midden in het bos sta je in de file. ‘We zullen dan vast vlakbij het winkelcentrum zijn’, redeneerden wij. De mensen uit de glimmende auto’s waren echte stadsmensen, bonaerense kak voor de gelegenheid op sneakers en met sportieve sweaters om de schouders geslagen. Opvallend veel pubers ook (met ouders meegekomen), die verveeld rondstruinden in het door een bekende architect ontworpen mini shopping met enkel designkledingzaken (exact dezelfde als in de stad) en strak gestylde restaurants (ook dezelfde als in de stad). Kortom, zero authenticiteit.

Toen we bij het strand kwamen wisten we zeker dat héél het dorp in de mini shopping bevond, want hier was niemand. Maar het was dan ook érg winderig. We reden terug, passeerden opnieuw het winkelcentrum, vol met uit verveling kopende mensen. ‘Weet je’, zei ik tegen Ariel die achter het stuur zat, ‘zelfs om een ijsje te gaan eten zou ik niet hier uitstappen.’ Lachend stemde hij in om dus niet meer uit te stappen, want hij weet als geen ander dat ik namelijk echt óveral ijs zou kunnen eten.